Artikelindex

19 februari 2017, 60e dag vóór Pasen

Bijbeltekst: Lucas 8: 4-15    

A. De woorden van God als slechts klein zaad

Een gelijkenis gaat Jezus vertellen

over hoe het gaat met het Koninkrijk van God op aarde (vs. 10).

Hoe gaat het zijn weg, hoe wint het aan invloed?

Dan zou je kunnen verwachten, ernaar uit zien,

dat er iets goed zichtbaars genoemd gaat worden,

dat in de werkelijkheid duidelijk aanwezig is.

Dan heb je iets om je aan vast te houden.

Maar Jezus gaat vertellen: over zaadkorrels, per stuk maar nauwelijks zichtbaar.

Sommige zaadkorrels ontkiemen helemaal niet,

andere verdwijnen in de aarde, en boven de grond is er dan geen spoor van zichtbaar.

Het zaad is er wel, maar in de diepte, verborgen,

buiten het daglicht, nergens zichtbaar in de publieke ruimte.

Dat kan teleurstellend overkomen.

Paulus heeft in zijn brief aan de christelijke gemeente in Korinthe

ook al geen indrukwekkend verhaal (II Kor 12: 6-10):

Ik ga mij niet beroemen op mijn eigen sterkte, stelt hij.

Ik koester mijn zwakheden.

En als ik zwak ben, dan is dat voldoende, dan voel ik mij al sterk.

Het zaad verdwijnt onzichtbaar in de grond,

Paulus benadrukt zijn eigen zwakheid,

de kerk van vandaag is zwak.

Wat moet er dan worden van dat Koninkrijk van God, waar Jezus het over heeft?

B. Vier soorten grond

Het zaad is het woord van God, licht Jezus toe (vs. 11).

En woorden óver God, woorden ván God, worden uitgestrooid op diverse soorten grond.

Mensen die op allerlei stukken grond wonen, in dorpen en steden in Nederland, wereldwijd,

mensen vangen iets op van woorden van de God van de Bijbel.

Mensen in allerlei omstandigheden:

van welvaart en armoede, van vrijheid en onderdrukking,

van een rustig land en van chaos.

Bij al deze mensen vallen woorden van God als zaad neer.

En wat zegt dat zaad hun, wat doen ze er mee?

C. Grond 1: niet horen (vs. 4, 12)

Een eerste deel van het zaad in gelijkenis valt op de weg of vlak langs de weg.

Het is harde grond, het zaad blijft er boven op liggen, aan de oppervlakte.

Mensen die over de weg lopen trappen het kapot en vogels pikken het weg.

Zo gaat het met heel wat mensen.

Woorden die met geloof te maken hebben: worden niet echt gehoord.

Want het is geloof, en dus, menen zij,

iets van het verleden

of iets zwevends boven de aarde

of christenen willen daarmee hun eigen positie versterken.

In het beste geval hebben de woorden misschien wel iets goeds in zich,

maar moeten ze nodig vervangen worden door een beter denken,

dat meer aangepast is aan de moderne tijd.

Het is met regelmaat op te merken op radio en TV.

De woorden van geloof hoeven niet serieus genomen te worden, ze worden niet gehoord.

Het zaad krijgt geen kans om te ontkiemen.

D. Grond 2: korte vreugde, geen diepte (vs. 6, 13)

De tweede soort grond in de gelijkenis bestaat uit een dunne laag aarde,

met daaronder rotsachtig grond.

Uit het zaad komen plantjes op,

maar hun wortels kunnen niet de diepte in, vinden geen water,

en als de zon gaat branden verdorren ze.

Met deze soort grond zijn we wat later in de tijd.

De aarde heeft het zaad wel in zich op genomen, i.t.t. de eerste grond bij de weg.

Het zaad kan ontkiemen, kan iets gaan doen,

er schiet iets op, er wordt iets zichtbaar in de werkelijkheid.

Ja, mensen kunnen zelfs enthousiast worden over het evangelie (vs. 13),

hun leven ernaar inrichten, er positief naar anderen over spreken.

Maar als de omstandigheden in hun leven veranderen,

een meningsverschil met iemand, een verhuizing, andere werk, kinderen gekregen, lichamelijke klachten,

kan de aandacht voor het geloof ook zo maar weg vallen.

Hoe diep zat het geloof daarvoor dan, ga je je afvragen?

Wat er toch maar iets van de oppervlakte, en een dun laagje eronder?

Wat het geloof niet echt verwerkt,

was het zaad niet vermengd met de eigen gevoelens en vragen en twijfels,

had het geen stevigte gekregen door de ervaringen van de eigen levensgeschiedenis?

Was het meer theorie gebleven dan praktijk?

De tweede soort grond heeft iets tragisch:

het plantje zag er eerst veelbelovend uit, maar redt het toch niet.

E. Grond 3: verstikking door dorens (vs. 7, 14)

De derde soort grond is grond waar naast de plantjes van het zaad van het woord van God

ook onkruid groeit, dorens en distels.

In deze grond heeft het zaad het nog weer langer volgehouden:

Het is opgenomen in de grond, anders dan bij het zaad op en naast de weg.

En het zaad is verwerkt in het eigen leven, het is iets van de gelovige zelf geworden,

anders dan bij het zaad op rotsachtige bodem.

Maar dit zaad groeit niet alleen op de akker.

Rondom het zaad is sterk onkruid, dorens en distels.

En dat neemt zonlicht weg en trekt water en mineralen uit de grond

en het plantje van het geloof kan te kort gaan komen,

het wil wel groeien, maar het lukt niet meer, het verschrompelt en sterft.

Het is opvallend dat de distels in de uitleg door Jezus

zowel staan voor moeiten van het leven, als de aangename kanten ervan.

Wat tegen zit in het leven, wat mislukt, wat zwaar is

kan vragen gaan stellen aan het geloof:

wat baat het mij, wat heb ik eraan,

ik word door God niet behoed voor tegenslagen,

ik moet het kennelijk alleen doen,

ik kan het niet meer rijmen, waarom zou ik blijven geloven?

Maar de verstikking van de distels kan net zo goed van de andere kant komen.

Er is zoveel plezierigs om te doen, er is zoveel vertier en afleiding,

waarom zou ik me nog met woorden van geloof bezig houden,

ik kan mijn leven zonder dat ook goed invullen.

En naast de negatieve en de positieve kanten van het leven

zijn er nog de meer algemene vragen:

antwoorden op de vragen van het leven kan ik ook elders zoeken dan in woorden van geloof,

en de wetenschap verklaart ook veel,

en oude antwoorden van het geloof verliezen dan aan betekenis.

Distels links, rechts, overal.

De 3e soort grond lijkt niet een stúkje van de aarde te zijn,

maar lijkt zich uit te strekken over onze hele aarde.

En de gelovigen op de 3e soort grond in de gelijkenis

beginnen wel goed, maar stukje bij beetje wordt hun geloof verstikt,

ze slagen er niet in om het tot het einde toe vol te houden (vs. 14).

F. Grond 4: vrucht dragen (vs. 8, 15)

De 4e soort grond in de gelijkenis, waar de plantjes vruchten voortbrengen,

is niet alleen een apart stuk grond,

het heeft in zekere zin alle beproevingen van de vorige drie soorten grond al doorstaan.

Het heeft (1) het zaad in zich opgenomen, en niet aan de buitenkant laten liggen.

Het heeft (2) het zaad in zich laten werken,

heeft het tijd gegeven om in eigen tempo te ontkiemen,

de wortels hebben door de ervaringen van het leven heen

de diepte gezocht en hebben daar water gevonden.

Het plantje heeft (3) de distels weerstaan,

het kon de verleidingen en de vragen van het leven niet wegnemen,

maar het heeft zich eraan ontworsteld,

het is boven de distels uitgegroeid, al blijven die distels het hinderen.

Als kenmerk van de 4e soort grond noemt Jezus in de uitleg,

dat hier het woord van God, het zaad, is ontvangen met een oprecht en goed hart.

Het woord van God is ontvangen in het centrum van het bestaan, in het hart.

De woorden van het geloof zijn niet gebleven aan de oppervlakte,

maar zijn in het middelpunt van het leven gekomen.

Er is verstaan dat deze woorden van geloof

de sleutel vormen tot de geheimen van het leven (vs. 10).

En vanuit het hart laten de gelovigen op de 4e grond

hun denken en spreken; doen en laten

door die gezaaide woorden bepalen.

Zo dragen zij vrucht,

doen zij goede daden, zetten zij anderen aan het denken.

Bij de vruchten is te denken aan een houding van:

meeleven, barmhartigheid, geduld, vriendelijkheid, vrede, vreugde, hoop.

In de 4e grond dragen de gelovigen de gezaaide woorden

tot het einde toe met zich mee.

De woorden zijn er om mee te leven, en ze kunnen ermee sterven.

De plantjes op de 4e soort grond die vruchten dragen

zijn eens ook maar begonnen als een klein zaadje,

het was eerst zwak, zoals Paulus noemt in zijn brief.

Maar als het plantje vruchten draagt, kan het dankbaar terug kijken en zeggen:

Het komt toch allemaal door een zaadje dat ontvangen is,

Gods genade is genoeg voor mij geweest, zoals Paulus schrijft,

en in mijn zwakheid: heeft de kracht van God gewerkt.

Zó is het plantje tot bloei gekomen.

G. Naar Pasen (Sexagesima)

Wat Jezus hier zegt tot zijn leerlingen

en tot anderen die luisteren is niet alleen maar een verhaal.

Want Hij heeft de uitgezaaide woorden van God in zich opgenomen,

en ze zich eigen gemaakt,

ze ontvangen met een oprecht en goed hart.

Tenslotte is hij één geworden met de grond waarin dat woord werd begraven.

En hij is na alle verzoekingen, alle distels,

in bloei komen te staan

en heeft vrucht gedragen - op Pasen.

De lezing van vandaag, op wat heet ‘de 60e dag voor Pasen’ wijst daar al naar toe

en roept ons toe:

Omdat Jezus de Messias uiteindelijk vrucht heeft gedragen,

daarom mogen jullie het ook wagen met die gezaaide woorden van God.

H. De woorden van God horen in allerlei omstandigheden

Vier soorten grond worden getekend.

Het gaat er, denk ik, niet zozeer om dat wij ons de vraag stellen

tot welke van die vier soorten grond wij behoren,

en waar wij anderen indelen.

Het is eerder zo, dat we alle vier de omstandigheden meemaken.

Steeds weer is de vraag: horen we de woorden van God echt (vs. 18),

geven we ze de ruimte om in ons te werken,

zijn we ons bewust van de distels,

kunnen we vrucht dragen,

niet alleen voor onszelf maar ook voor anderen.

En bij alles mag er het vertrouwen zijn

in iemand die tot ons blíjft spreken,

die woorden in ons zaait.

Zijn genade is ons genoeg (II Kor. 12: 9).

Amen.