Artikelindex

19 maart, 3e zondag van de 40-dagentijd

Bijbellezingen: Johannes 4: 5-26 en Lucas 11: 14-28

A. Demonen: associaties, geschiedenis

Jezus drijft een boze geest uit iemand, en waarschuwt voor demonen in het algemeen.

Ja, demonen, boze geesten - hoe kun je die zien?

Is dat niet iets van het verleden?

Demonen zijn gebleven als spannende ingrediënten voor horror-films,

naast geesten van doden en moderne heksen.

Een tegenwerping bij dit verhaal kan zijn,

dat wat in de Bijbel demonen genoemd werden

tegenwoordig eerder op het terrein van de psychiatrie ligt.

Dáár worden nu onderhuidse driften en blokkades in de geest

van mensen geanalyseerd en behandeld.

En soms gaat het daardoor beter met hen, krijgen de boze geesten minder speelruimte.

Maar het Middeleeuwse rooster, dat we dit jaar volgen,

wijst voortdúrend op kwade krachten.

Op de 1e zondag is er de beproeving in de woestijn door de satan,

op deze 3e zondag zijn er deze demonen,

op de 5e zondag gaat het nog een keer over de duivel en over demonen.

Middeleeuwse bangmakerij?

Het oude rooster gaat van zondag tot zondag welbewust richting Pasen.

Op de 3 oneven zondagen moet de duivel worden afgewezen,

op de 3 even zondagen wordt de glorie van Jezus zichtbaar,

vorige week de verheerlijking op de berg.

Dat 3 x afwijzen en 3 x eren van Jezus loopt uit op de Paasnacht,

als zij die gedoopt werden, 3 x de duivel afzworen

en 3 x hun geloof in Vader, Zoon en Geest beaamden.

In die samenhang staat de lezing van vandaag.

Laten we toch maar eens kijken wat er gebeurt met de demonen in deze bijbeltekst.

B. Stom worden door demonische krachten (vs. 14)

Iemand, een mens, is beheerst door een boze geest.

Daardoor kan hij niets meer zeggen.

Hij is stom (en misschien ook nog doof, dat is niet helemaal duidelijk).

De man kan niet uiten wat hij van binnen voelt.

Zijn gedachten draaien in hem rond en kunnen niet naar buiten.

Er is een macht, een demon, rondom hem, in hem,

die hem belet om goede woorden te spreken,

woorden die iets opbouwen; zijn taal wordt afgebroken.

De man is belemmerd in zijn contacten met andere mensen.

Hij wordt door de boze geest teruggeworpen op zichzelf.

En dan kijken we naar onze wereld, in het klein en in het groot.

Mensen volgen vanzelf allerlei trends, in mode of wat ook,

en praten allerlei woorden na die anderen hebben bedacht.

Ze maken geen eigen keuzes meer, vormen geen eigen woorden,

ze zouden niet weten, niet durven,

maar ze volgen, tot zwijgen gebracht, stom, wat is voorgezegd.

Door wie voorgezegd?

In het gesprek van Jezus met de menigte valt de naam Beëlzebul,

een oude Kanaänitische godheid, in het O.T. genoemd,

met een betekenis als: de verheven Baäl, Heer van de hemel.

Beëlzebul is ongrijpbaar, een hogere macht.

En zo is het met veel machten die in onze wereld invloed hebben,

ze zijn verborgen, maar sturen veel aan.

En de dienaren, de verkopers, degenen die anderen ompraten,

doen als kleine demonen het uitvoerende werk.

Maar de demonen kunnen zich ook anders voordoen:

Als grote mensenmassa’s demonstreren voor een verheven Leider

en bestraffing of dood eisen van wie als de Tegenstander geldt.

Mensen die niet meer zelf denken, zelf spreken,

maar roepen en scanderen wat hun is voorgezegd, wat de propaganda heeft bedacht:

mensen stom gemaakt,

aangedreven door kleine demonen, met Beëlzebuls erboven.

Op allerlei manieren worden mensen stom gemaakt, sprakeloos,

niet meer in staat zelf keuzes te maken,

zelf gedachten te vormen, eigen woorden te spreken.

Communicatie valt weg met medemensen, met hun eigen hart, met God.

C. Jezus wijst met/als vinger van God naar bevrijding (vgl. Ex; vs. 20)

Het weldadige in de tekst uit Lucas is, dat Jezus bij de man

die hij ontmoet, de beheersing door de demon ópheft.

De stomheid, die de man tijdenlang blokkeerde, verdwijnt.

De man kan weer zelf zijn gedachten tot woorden vormen,

hij is niet meer in de ban van anderen,

hij gaat zelf denken en spreken. En hij wordt gehoord, verstaan.

En waar dat gebeurt, daar moeten de demonen wijken.

Er is weer communicatie, contact, mogelijk,

met de mensen om hem heem, met God.

Jezus zegt: “Het is door de vinger van God dat ik de demonen uitwerp,

en zo komt het Koninkrijk van God over u” (vs. 20).

Dat is beeldende taal uit het boek Exodus.

Daar wordt de staf van Aäron de vinger van God genoemd (8: 15).

Door die vinger komen plagen op gang

en die dienen om de Israëlieten los te krijgen uit Egypte.

De vinger van God is teken van de kracht van God,

zo wordt het in de diverse vertalingen ook vertaald, maar ik houd het liever letterlijk.

Want er is meer te zeggen over die vinger van God.

Van de 10 woorden op de stenen tabletten staat ook,

dat ze in het steen gegrift zijn door de vinger van God (31: 18).

Jezus handelt zoals bij de uittocht uit Egypte.

Door Mozes maakte God het volk Israël vrij van de farao van Egypte,

uit de demonie van de slavernij, waarin ze monddood, stom, waren.

Zo maakt Jezus mensen vrij uit alle bindingen die hen insnoeren.

En hij biedt een nieuw perspectief,

gewezen door de woorden, geschreven door de vinger van God.

Over een mens daalt dan het Koninkrijk van God neer,

zoals Jezus zegt, als een nieuwe werkelijkheid.

Dat gebeurt krachtig, maar in zekere zin ook zacht.

De vinger van Jezus, een wenk, een vingerwijzing, een enkel woord, een aanraking,

kan genoeg zijn om de stomheid op te heffen, om een nieuw uitzicht te bieden,

om een mens de liefde van God te doen voelen,

om de demonen te laten wijken.

D. De demonen kunnen (nog erger) terugkomen (vs. 24-26)

Maar het verhaal is met de uitdrijving van de boze geest nog niet uit.

Want de man is genezen van zijn stomheid, is vrij geworden, kan zelf spreken.

Maar hoe nu verder?

Blíjft hij in staat om goede woorden te spreken,

tegen alle andere woorden en slogans om hem heen in?

Jezus zegt: Een mens kan zijn innerlijk, als een huis,

hebben schoongemaakt, de boze geest is verdwenen,

het vuil dat deze met zich meebracht, is het huis uitgeveegd.

Ja, het huis is keurig op orde gemaakt, is zelfs feestelijk versierd.

Niet alleen boze geesten kunnen overigens worden verdreven, ook betere geesten.

Maar het huis is dan leeg. En hoe gaat het verder?

Heel wat mensen zeggen tegenwoordig: “Ik heb opruiming gehouden,

ik heb het christelijk geloof de deur uit gedaan,

en een politieke overtuiging ook maar meteen.

Ik geloof niets meer, ik doe nergens aan.

Ik houd het voortaan neutraal.

Ik vul het zelf wel in met wat me op dat moment even aanspreekt.”

Het is de vraag of dat werkt.

Als je na het wegwerken van de kwade geesten, het huis leeg hoúdt,

geen goede geesten uitnodigt,

je niet oefent om nieuwe woorden te gaan spreken,

maar de ramen open zet,

stromen allerlei nieuwe geesten binnen.

Dan kan het lopen zoals Jezus vertelt in het vervolg van zijn verhaal:

dat er nog meer demonen in het huis hun intrek nemen dan eerder,

dat de stomheid, het onvermogen om zelf te denken en te spreken, nog erger wordt.

Jezus geeft ter overweging: Je kunt het huis maar éven leeg houden,

daarna zullen hoe dan ook geesten het huis weer binnen komen,

de vraag is alleen: welke geesten?

Wie of wat geef je ruimte in je huis;

wie weer je, en wie laat je toe?

Het idee dat het huis leeg, neutraal, kan blijven, is te mooi, is een fabeltje.

E. Gevuld worden met woorden van God, zijn goede Geest (vs. 27v)

Hoe vind je na de schoonmaak iets

dat blíjvend de boze geesten buiten de deur houdt?

Een vrouw in de menigte, die naar Jezus heeft geluisterd,

roept bewonderend uit: “Gelukkig de schoot die u gedragen heeft,

de borsten die u hebben gevoed.”

En Jezus bedenkt waar zijn moeder hem mee heeft gevoed,

de jaren door, met een vertrouwen op God, met goede woorden,

waardoor hij zich niet mee laat slepen door de demonen.

En Jezus zegt: “Ja, gelukkig, zalig, die mij gedragen heeft,

gelukkig zij omdat zij de woorden van God bewaard heeft [vgl. Lk 2:19],

en gelukkig állen die het woord van God horen en het bewaren.”

In ons innerlijke huis, en in ons echte huis,

kunnen woorden van God klinken:

basiswoorden van: barmhartigheid, van verantwoordelijkheid,

van wil tot recht, van streven naar verzoening, van hoop.

Die woorden zijn als een bron, die leven geven, zoals in de 2e lezing

van vandaag. Bij die bron kan iets moois opbloeien (bloemschikking).

Met zulke woorden leren wij zelf spreken, worden we weerbaar,

zijn we niet overgeleverd aan de diverse geesten in de samenleving,   die komen en gaan,

en die elkaar afwisselen.

Door die woorden van God wordt een sfeer opgebouwd,

een géést van liefde.

Wij hebben Gods góede Geest in ons hart nodig, de heílige Geest,

om de bóze geesten die zich steeds weer aandienen, buiten te houden.

Ja, gelukkig, zalig, zij die de woorden van God in zich meedragen,

die niet stóm zijn,

maar die de lof van God zingen.

Amen.