Artikelindex

Preek 9 april 2017, Palmzondag

Bijbeltekst: Johannes 12: 12-24

A. Keuze van Jezus

Johannes, de laatste evangelist, vertelt de intocht iets anders dan Mattheüs, Marcus en Lucas, en daarmee legt hij de accenten anders.

Jezus komt vanaf Bethanië, aan de andere kant van de Olijfberg,

waar hij was bij Maria en Martha, en waar hij hun broer Lazarus had opgewekt uit de dood.

Jezus en zijn leerlingen dalen vanaf de Olijfberg af naar Jeruzalem, en wel lopend, te voet. Jezus zit dus nog niet op een ezel.

Een menigte komt uit Jeruzalem, ze hebben het gerucht van de opwekking van Lazarus gehoord, en daarom hebben ze palmtakken in hun handen.

Palmtakken, die sinds de opstand van de Makkabeeën, 200 jaar eerder,

golden als symbool van joods verzet tegen buitenlandse overheersers,

en van overwinning door eigen kracht.

De menigte ziet Jezus als leider voor hun nationale gevoelens.

Iemand die een dode kan opwekken, wat kan die niet nog meer?

Ze gaan een held verwelkomen en binnenhalen.

Ze roepen daarbij een zin, die ze blijven herhalen:

“Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam van de Heer.”

Dat is een regel uit Psalm 118,

de psalm die gezongen werd in de liturgie van het Pesach-feest,

dat later die week gevierd werd, herdenking van de bevrijding uit Egypte.

Aan die psalmregel voegt de menigte een eigen regel toe:

“Gezegend, die komt in de naam van de Heer - de koning van Israël.”

De menigte mengt dus nationale gevoelens, de palmtakken, een nieuwe koning;

én religieuze beleving, Psalm 118, het Pesach-feest,

tot een nieuw geheel,

dat verwarrend is, en waarin het nationale de boventoon lijkt te voeren.

We weten uit de geschiedenis en regelmatig uit het dagelijkse nieuws,

dat een mengsel van godsdienst en nationalisme,

religieuze overtuiging en het verdedigen van de eer van een land,

of dat nu in islamitische of christelijke culturen is,

krachtige explosieve mengsels op kunnen leveren,

die zich niet altijd in een gezonde richting ontwikkelen.

Als reactie op de palmtakken en het psalmgezang

haalt Jezus een ezel naar zich toe, die hij ergens langs de weg ziet,

en neemt daarop plaats (vs. 14).

Pas na de toejuichingen neemt Jezus dus plaats op de ezel,

in het evangelie van Johannes, en niet daarvóór.

Johannes, die schrijft na de andere drie evangelisten, onderstreept zo,

dat Jezus met de ezel iets anders wil zeggen, dan de menigte in gedachten heeft.

De handeling van Jezus sluit aan bij een woord van de profeet Zacharia (9: 9v):

“Jubel luid, dochter Sion, zie, je koning komt naar je toe,

een rechtvaardige, een bevrijder, een ootmoedige,

rijdend op het veulen van een ezelin.

Dan zullen de strijdwagens en paarden weggedaan worden

en de koning zal vrede verkondigen - tot aan de einden der aarde.”

Komt deze symbolische handeling van Jezus over?

Johannes bekent, dat de leerlingen van Jezus die dan bij hem zijn,

en al heel wat van hem gehoord hebben, niet begrijpen wat Jezus doet,

ze verstaan het teken niet.

De Farizeeërs, die kritisch toeluisteren, lijken er op vreemde wijze meer van te begrijpen.

Ze zeggen tegen elkaar: “Jullie zien dat we niets bereiken,

de hele wereld loopt achter hem aan.”

‘De hele wereld’ kun je opvatten als ‘iedereen hier’.

Maar Zacharia klinkt mee:

De vrede zal verkondigd worden: tot de uiteinden van de aarde.

Wat hier gebeurt op de Olijfberg heeft betekenis - voor de hele wereld.

B. Grieken (vs. 20-23)

Iets later in het verhaal melden zich Grieken bij de discipel Filippus,

met het verzoek om Jezus te mogen zien.

Johannes vertelt ons niet waar dat gebeurt.

Ik denk dat we er van uit moeten gaan, dat dat kort na de intocht is,

als Jezus in Jeruzalem is aangekomen,

als de festiviteiten voorbij zijn, de menigte is opgelost.

De Grieken vragen of ze Jezus kunnen zien,

hij is dan niet meer in het openbaar zichtbaar, is een woning ingegaan.

De Grieken melden zich echter niet zomaar.

Ze komen, om wat ze zojuist gezien hebben, de intocht,

of waar ze anders in elk geval van gehoord hebben.

‘De vrede van de nieuwe koning zal reiken tot de einden van de aarde’,

had Zacharia geschreven.

En deze Grieken komen van ver buiten het land Israël, nog niet het eind van de aarde,

maar met hun komst beginnen de woorden van Zacharia werkelijkheid te worden.

De nieuwe vrede is ook voor hen bestemd, in hun vaderland.

Als Filippus en Andreas het verzoek aan Jezus overbrengen, antwoordt hij:

“Het uur is gekomen, dat de mensenzoon verheerlijkt gaat worden.”

Dat lijkt een afwijzing: Nu komt mijn beslissende tijd,

en er is geen tijd meer voor nog een apart onderhoud met de Grieken.

Maar nog meer, wil het waarschijnlijk iets anders zeggen:

Ook Jezus ziet de komst en de vraag van de Grieken als bevestiging,

dat zijn weg heil zal inhouden - tot aan de einden der aarde.

En wat Jezus deze week te doen heeft, in het uur dat komt,

zal ook ten goede komen aan deze Grieken.

C. Graankorrel (vs. 24)

Jezus zegt tot Filippus en Andreas: “Amen, amen, ik zeg jullie:

Als de graankorrel niet valt in de aarde en sterft, dan blijft hij alleen;

maar als hij sterft, draagt hij overvloedig vrucht.”

Jezus had eerder het profetische teken van de koning op een ezel laten zien,

een kleine koning wilde hij zijn.

Nu gebruikt hij een nieuw beeld, en verscherpt hij het vorige beeld.

Nog kleiner dan een koning op een ezel zal hij worden.

Hij zal worden tot een graankorrel, die in de aarde onder gaat,

die van het aardoppervlak verdwijnt.

Er zal niets meer van zijn koningschap te zien zijn.

Jezus had eerder, in de evangeliën van Mt., Mk. en Lk. op zichzelf gezinspeeld als een zaaier die zaad uitstrooit,

maar nu onder de druk van wat voor de deur staat, verschuift het beeld,

en wordt hij zelf het zaad, dat sterven moet.

Hij zelf zal in de aarde gelegd worden.

D. Vrucht

“Als de graankorrel valt in de aarde en sterft,

kan hij overvloedig vrucht dragen” - zegt Jezus tot Filippus en Andreas.

Jezus vertrouwt erop, dat zijn hemelse Vader zijn weg tot in de aarde zal bekronen,

dat er uit de graankorrel: een doorgaande beweging zal voortkomen,

dat een nieuwe korenhalm zal oprijzen, met nieuwe graankorrels in zich,

waaruit mensen op kunnen groeien,

mensen die een moeizaam, donker, doods bestaan achter zich laten en opbloeien

beschenen door hemels licht, door het licht van Pasen.

Zij zullen Jezus kunnen eren, als koning,

die op de weg door het donker naar het licht voor hen uit is gegaan.

E. Filippenzen 2: 5-11

Paulus giet deze weg van Jezus, eerst omlaag, de dood in, dan omhoog,

in een lof zeggend gedicht, een loflied, een hymne:

over de Zoon van God,

die zichzelf vernederd heeft - als een koning op een ezel,

die gehoorzaam is geworden tot in de dood

- als een in de aarde gestrooide graankorrel,

en dat daarom God hem heeft verhoogd - als een nieuwe korenhalm,

en dat Jezus als zo’n koning een naam krijgt boven alle anderen die zich leiders noemen,

opdat alle knie zich voor hem zal buigen - tot de einden van de aarde,

en dat tot eer van God de Vader.

Dit lied van Paulus geldt al volgens vroeg-christelijke traditie

als lezing op deze Palmzondag, aan het begin van de Goede Week,

als samenvatting vooraf van wat er later deze week volgt.

F. Een weg voor ons

Als Jezus spreekt over de graankorrel,

lijkt dat vooral op hem zelf betrekking te hebben: híj zal in de aarde gezaaid worden.

Maar de spreuk over de graankorrel is in algemene zin gesteld,

geldt ook voor wie bij Jezus wil horen, voor ons:

“Als de graankorrel niet valt in de aarde blijft hij alleen,

maar als hij sterft, draagt hij overvloedig vrucht.”

Je zelf nederig maken, trouw blijven aan je opdracht, aan de mensen rondom je,

erop vertrouwen dat God dan voor vrucht zal zorgen, zodat die weg toch goed blijkt te zijn,

dat er vrucht zál zijn, zoals bij Jezus is getoond

- dat is geen voor de hand liggende gang,

daarvoor moet je langdurig het lijdens- en paasverhaal van Jezus op je in laten werken.

De dichter Willem Barnard zegt in zijn grote bijbelse dagboek ‘Stille omgang’ (p. 218),

dat een mens een heel leven nodig heeft

om zich dat woord over de graankorrel eigen te maken,

en hij voegt er aan toe: een mens heeft daar niet alleen een heel leven voor nodig,

maar ook het eigen sterven.

G. Toejuichingen bij nader inzien, feestelijkheid (2)

De intocht in Jeruzalem is in het evangelie van Johannes door allerlei onbegrip omgeven;

én er komt terugkijkend, bij nader inzien, veel waarheid naar voren.

De Farizeeërs zeggen met tegenzin “De hele wereld loopt achter hem aan”, en ja zo is het, vlak daarna komen enkele Grieken als vertegenwoordigers van de heidense volken.

Want ook voor hen heeft het betekenis wat er die week in het joodse land gaat gebeuren.

En de menigte uit Jeruzalem roept “Gezegend die komt, de koning van Israël”,

en ja, Jezus zal koning worden, maar anders dan zij denken,

op een ezel, als een graankorrel,

en zo zal hij vrede aanbieden voor mensen persoonlijk

en voor de volken, tot de einden der aarde.

En ook al verstaat de menigte zelf niet wat zij zegt,

toch is het terecht als zij Jezus met palmtakken en met een psalm begroet en eer bewijst.

Alleen de leerlingen van Jezus weten het hele verhaal niet

wat zij ervan moeten denken, waar zij staan, wat zij moeten doen.

Zij zien het en verwonderen zich.

Zij willen bij deze koning blijven, maar er gebeurt te veel om het goed te kunnen bevatten.

Zij en wij mogen een heel leven gebruiken

om deze koning te verstaan

en hem te dienen.

Amen.



19 maart, 3e zondag van de 40-dagentijd

Bijbellezingen: Johannes 4: 5-26 en Lucas 11: 14-28

A. Demonen: associaties, geschiedenis

Jezus drijft een boze geest uit iemand, en waarschuwt voor demonen in het algemeen.

Ja, demonen, boze geesten - hoe kun je die zien?

Is dat niet iets van het verleden?

Demonen zijn gebleven als spannende ingrediënten voor horror-films,

naast geesten van doden en moderne heksen.

Een tegenwerping bij dit verhaal kan zijn,

dat wat in de Bijbel demonen genoemd werden

tegenwoordig eerder op het terrein van de psychiatrie ligt.

Dáár worden nu onderhuidse driften en blokkades in de geest

van mensen geanalyseerd en behandeld.

En soms gaat het daardoor beter met hen, krijgen de boze geesten minder speelruimte.

Maar het Middeleeuwse rooster, dat we dit jaar volgen,

wijst voortdúrend op kwade krachten.

Op de 1e zondag is er de beproeving in de woestijn door de satan,

op deze 3e zondag zijn er deze demonen,

op de 5e zondag gaat het nog een keer over de duivel en over demonen.

Middeleeuwse bangmakerij?

Het oude rooster gaat van zondag tot zondag welbewust richting Pasen.

Op de 3 oneven zondagen moet de duivel worden afgewezen,

op de 3 even zondagen wordt de glorie van Jezus zichtbaar,

vorige week de verheerlijking op de berg.

Dat 3 x afwijzen en 3 x eren van Jezus loopt uit op de Paasnacht,

als zij die gedoopt werden, 3 x de duivel afzworen

en 3 x hun geloof in Vader, Zoon en Geest beaamden.

In die samenhang staat de lezing van vandaag.

Laten we toch maar eens kijken wat er gebeurt met de demonen in deze bijbeltekst.

B. Stom worden door demonische krachten (vs. 14)

Iemand, een mens, is beheerst door een boze geest.

Daardoor kan hij niets meer zeggen.

Hij is stom (en misschien ook nog doof, dat is niet helemaal duidelijk).

De man kan niet uiten wat hij van binnen voelt.

Zijn gedachten draaien in hem rond en kunnen niet naar buiten.

Er is een macht, een demon, rondom hem, in hem,

die hem belet om goede woorden te spreken,

woorden die iets opbouwen; zijn taal wordt afgebroken.

De man is belemmerd in zijn contacten met andere mensen.

Hij wordt door de boze geest teruggeworpen op zichzelf.

En dan kijken we naar onze wereld, in het klein en in het groot.

Mensen volgen vanzelf allerlei trends, in mode of wat ook,

en praten allerlei woorden na die anderen hebben bedacht.

Ze maken geen eigen keuzes meer, vormen geen eigen woorden,

ze zouden niet weten, niet durven,

maar ze volgen, tot zwijgen gebracht, stom, wat is voorgezegd.

Door wie voorgezegd?

In het gesprek van Jezus met de menigte valt de naam Beëlzebul,

een oude Kanaänitische godheid, in het O.T. genoemd,

met een betekenis als: de verheven Baäl, Heer van de hemel.

Beëlzebul is ongrijpbaar, een hogere macht.

En zo is het met veel machten die in onze wereld invloed hebben,

ze zijn verborgen, maar sturen veel aan.

En de dienaren, de verkopers, degenen die anderen ompraten,

doen als kleine demonen het uitvoerende werk.

Maar de demonen kunnen zich ook anders voordoen:

Als grote mensenmassa’s demonstreren voor een verheven Leider

en bestraffing of dood eisen van wie als de Tegenstander geldt.

Mensen die niet meer zelf denken, zelf spreken,

maar roepen en scanderen wat hun is voorgezegd, wat de propaganda heeft bedacht:

mensen stom gemaakt,

aangedreven door kleine demonen, met Beëlzebuls erboven.

Op allerlei manieren worden mensen stom gemaakt, sprakeloos,

niet meer in staat zelf keuzes te maken,

zelf gedachten te vormen, eigen woorden te spreken.

Communicatie valt weg met medemensen, met hun eigen hart, met God.

C. Jezus wijst met/als vinger van God naar bevrijding (vgl. Ex; vs. 20)

Het weldadige in de tekst uit Lucas is, dat Jezus bij de man

die hij ontmoet, de beheersing door de demon ópheft.

De stomheid, die de man tijdenlang blokkeerde, verdwijnt.

De man kan weer zelf zijn gedachten tot woorden vormen,

hij is niet meer in de ban van anderen,

hij gaat zelf denken en spreken. En hij wordt gehoord, verstaan.

En waar dat gebeurt, daar moeten de demonen wijken.

Er is weer communicatie, contact, mogelijk,

met de mensen om hem heem, met God.

Jezus zegt: “Het is door de vinger van God dat ik de demonen uitwerp,

en zo komt het Koninkrijk van God over u” (vs. 20).

Dat is beeldende taal uit het boek Exodus.

Daar wordt de staf van Aäron de vinger van God genoemd (8: 15).

Door die vinger komen plagen op gang

en die dienen om de Israëlieten los te krijgen uit Egypte.

De vinger van God is teken van de kracht van God,

zo wordt het in de diverse vertalingen ook vertaald, maar ik houd het liever letterlijk.

Want er is meer te zeggen over die vinger van God.

Van de 10 woorden op de stenen tabletten staat ook,

dat ze in het steen gegrift zijn door de vinger van God (31: 18).

Jezus handelt zoals bij de uittocht uit Egypte.

Door Mozes maakte God het volk Israël vrij van de farao van Egypte,

uit de demonie van de slavernij, waarin ze monddood, stom, waren.

Zo maakt Jezus mensen vrij uit alle bindingen die hen insnoeren.

En hij biedt een nieuw perspectief,

gewezen door de woorden, geschreven door de vinger van God.

Over een mens daalt dan het Koninkrijk van God neer,

zoals Jezus zegt, als een nieuwe werkelijkheid.

Dat gebeurt krachtig, maar in zekere zin ook zacht.

De vinger van Jezus, een wenk, een vingerwijzing, een enkel woord, een aanraking,

kan genoeg zijn om de stomheid op te heffen, om een nieuw uitzicht te bieden,

om een mens de liefde van God te doen voelen,

om de demonen te laten wijken.

D. De demonen kunnen (nog erger) terugkomen (vs. 24-26)

Maar het verhaal is met de uitdrijving van de boze geest nog niet uit.

Want de man is genezen van zijn stomheid, is vrij geworden, kan zelf spreken.

Maar hoe nu verder?

Blíjft hij in staat om goede woorden te spreken,

tegen alle andere woorden en slogans om hem heen in?

Jezus zegt: Een mens kan zijn innerlijk, als een huis,

hebben schoongemaakt, de boze geest is verdwenen,

het vuil dat deze met zich meebracht, is het huis uitgeveegd.

Ja, het huis is keurig op orde gemaakt, is zelfs feestelijk versierd.

Niet alleen boze geesten kunnen overigens worden verdreven, ook betere geesten.

Maar het huis is dan leeg. En hoe gaat het verder?

Heel wat mensen zeggen tegenwoordig: “Ik heb opruiming gehouden,

ik heb het christelijk geloof de deur uit gedaan,

en een politieke overtuiging ook maar meteen.

Ik geloof niets meer, ik doe nergens aan.

Ik houd het voortaan neutraal.

Ik vul het zelf wel in met wat me op dat moment even aanspreekt.”

Het is de vraag of dat werkt.

Als je na het wegwerken van de kwade geesten, het huis leeg hoúdt,

geen goede geesten uitnodigt,

je niet oefent om nieuwe woorden te gaan spreken,

maar de ramen open zet,

stromen allerlei nieuwe geesten binnen.

Dan kan het lopen zoals Jezus vertelt in het vervolg van zijn verhaal:

dat er nog meer demonen in het huis hun intrek nemen dan eerder,

dat de stomheid, het onvermogen om zelf te denken en te spreken, nog erger wordt.

Jezus geeft ter overweging: Je kunt het huis maar éven leeg houden,

daarna zullen hoe dan ook geesten het huis weer binnen komen,

de vraag is alleen: welke geesten?

Wie of wat geef je ruimte in je huis;

wie weer je, en wie laat je toe?

Het idee dat het huis leeg, neutraal, kan blijven, is te mooi, is een fabeltje.

E. Gevuld worden met woorden van God, zijn goede Geest (vs. 27v)

Hoe vind je na de schoonmaak iets

dat blíjvend de boze geesten buiten de deur houdt?

Een vrouw in de menigte, die naar Jezus heeft geluisterd,

roept bewonderend uit: “Gelukkig de schoot die u gedragen heeft,

de borsten die u hebben gevoed.”

En Jezus bedenkt waar zijn moeder hem mee heeft gevoed,

de jaren door, met een vertrouwen op God, met goede woorden,

waardoor hij zich niet mee laat slepen door de demonen.

En Jezus zegt: “Ja, gelukkig, zalig, die mij gedragen heeft,

gelukkig zij omdat zij de woorden van God bewaard heeft [vgl. Lk 2:19],

en gelukkig állen die het woord van God horen en het bewaren.”

In ons innerlijke huis, en in ons echte huis,

kunnen woorden van God klinken:

basiswoorden van: barmhartigheid, van verantwoordelijkheid,

van wil tot recht, van streven naar verzoening, van hoop.

Die woorden zijn als een bron, die leven geven, zoals in de 2e lezing

van vandaag. Bij die bron kan iets moois opbloeien (bloemschikking).

Met zulke woorden leren wij zelf spreken, worden we weerbaar,

zijn we niet overgeleverd aan de diverse geesten in de samenleving,   die komen en gaan,

en die elkaar afwisselen.

Door die woorden van God wordt een sfeer opgebouwd,

een géést van liefde.

Wij hebben Gods góede Geest in ons hart nodig, de heílige Geest,

om de bóze geesten die zich steeds weer aandienen, buiten te houden.

Ja, gelukkig, zalig, zij die de woorden van God in zich meedragen,

die niet stóm zijn,

maar die de lof van God zingen.

Amen.


12 maart 2017, 2e zondag 40-dagentijd / Biddag voor gewas en arbeid

Vincent van Gogh, schilderijen over zaaien

Inleiding

Er volgen nu zeven onderdelen, met steeds:

1. Bijbellezing; 2. schilderij; 3. toelichting, overweging, vragen; 4. lied.

A. Genesis 1: 9-13 / J.-F. Millet, De zaaier (1850)

De eerste twee schilderijen van vandaag zijn niet van Vincent van Gogh

maar van de Franse schilder Jean-François Millet (1814-1875).

Millet schilderde half 19e eeuw het boerenleven op het platteland.

Hij beeldde dat leven uit zoals het was, en maakte het niet te romantisch of te algemeen.

Vincent vond in Millet een voorbeeld. Zo ongeveer wilde hij ook gaan schilderen.

De boer op dit schilderij gaat met grote stappen over de akker,

draagt de buidel met zaad, en strooit het zaad energiek uit over de grond.

In de Bijbel gaat het al op bladzij 1 over land als een veilig afgeschermd gebied,

grond die vruchtbaar is,

gewas dat uit de aarde opkomt, en dat zaad in zich draagt.

Op die grond zullen planten en dieren en mensen kunnen leven.

God zag wat Hij gemaakt had en sprak: ja, het is goed.

Op die grond kan de boer het zaad uitstrooien.

B. Genesis 8: 22 / J.-F. Millet, Angelus (1859)

Na de zondvloed wordt een belofte gegeven:

Het zaaien en het oogsten, en de verscheidene seizoenen, zullen elkaar af blíjven wisselen.

Het geloof van de Bijbel: is ook een geloof van de tijd.

Een vertrouwen in de tijden van het jaar waarin gezaaid en geoogst kan worden.

En dat brengt ook met zich mee, dat er binnen één dag momenten zijn

om aan God te denken en naar zijn handelen uit te zien.

Op het 2e schilderij van Jean Francois Millet zien we weer een scène op de akker.

Een boerenechtpaar staat gebogen op de akker.

De vork rust in de grond. De man heeft zijn hoed afgedaan.

Ze hebben de handen naar elkaar toe gedaan voor gebed.

Want het is de tijd van het Angelus-gebed.

Het dagelijkse katholieke gebed dat gebeden werd

om 6 uur ’s ochtends, 12 uur ’s middags en 6 uur ’s avonds.

Een kerkklok kon een kleine klok hebben, het Angelusklokje,

dat op dat tijdstip even werd geluid.

En de mensen legden hun werk stil, richten hun gedachten op andere dingen,

dachten aan de tekst van het Angelus-gebed of spraken dat uit.

Het gebed begint met de engel van God, en het Latijnse woord voor engel is Angelus.

De engel bracht een boodschap aan Maria

en in dat gebed kreeg het Wees gegroet een plek:

Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer zal met u zijn.

En het gebed vertelt verder hoe Maria zich beschikbaar opstelt voor de engel:

Zie de dienstmaagd van de Heer, mij geschiede naar uw woord.

Op het schilderij is in de verte rechts van de vrouw een kleine kerktoren te zien.

Vandaar klonk de klok die opriep tot gebed.

Het werk op de akker wordt even stil gelegd.

Het werd wordt omlijst door de klank van klokken.

De man en de vrouw bewerken de akker

maar zijn als eerste als Maria, dienstmaagd en dienstknecht van de Heer.

C. Jesaja 28: 23-29 / Ploeger met aardappelplantende vrouw (sept. 1884)

In 1884-1885 toen Vincent van Gogh bij zijn ouders in Nuenen woonde, maakte hij

veel schilderijen van de mensen in Brabant:

portretten, en ook het werk op het land.

Op dit schilderij breekt een boer met een ploeg de aarde open,

en de vrouw achter hem poot in de voren aardappels.

In Jesaja 28 wordt beschreven hoe precies dit werk moet gebeuren:

het open leggen van de akker met de ploeg,

het zaaien van de verschillende soorten gewassen, elk op eigen manier,

en het oogsten dat ook weer nauwkeurig plaats moet vinden.

De profeet Jesaja vertelt dit met als boodschap:

Zo zaait God ook zorgvuldig,

laat hij bij elk mens het zaad weer op eigen manier in de aarde vallen.

D. Jesaja 55: 10-13 / De zaaier (okt. 1889)

Vincent van Gogh voelde zich aangesproken door het schilderij van Millet van De zaaier.

En hij heeft zelf vele zaaiers geschilderd.

We hebben een afbeelding waarin de zaaier van Millet en van

Van Gogh naast elkaar staan en u ziet de overeenkomsten.

De kleuren zijn verschillend, de kleding van de zaaier is anders.

Maar de houding, de beweging van de boer op de akker is dezelfde.

Om ons weer tot de zaaier van Van Gogh te beperken:

Het beeld van de zaaier had bij Vincent van Gogh een dubbele betekenis.

Het tekende er het boerenleven mee.

Maar hij kende ook de gelijkenis in de Bijbel van de zaaier:

De zaaier die het woord van God uitzaait, rondstrooit.

De vader van Vincent van Gogh was predikant

en hij had zelf in 1879 en 1880 als evangelist in het mijngebied in België gewerkt.

De profeet Jesaja spreekt over woorden namens God die vallen

in de aarde en die in de aarde gaan werken,

en een mirtestruik kan opkomen, of een cipres.

Vincent van Gogh zag zijn schilderwerk als een eigen nieuwe vorm

van het overbrengen van een boodschap.

Hij schrijft ergens dat hij met zijn schilderijen de mensen troost wil brengen.

Hij wilde zelf hoop uitzaaien.

E. Prediker 11: 4-7 / Zaaier met ondergaande zon (nov. 1888)

Prediker roept mensen om op diverse momenten van de dag werkzaam te blijven op het land,

waarmee de kans toeneemt op een grotere oogst.

En hij zegt daarnaast:

Goed is het voor de ogen om tijdens het werk

de zon boven je te zien, de zonnestralen te voelen,

ja zoet is het licht.

In deze eigen Zaaier van Vincent van Gogh uit 1888

is de zon, die Prediker noemde, prominent aanwezig.

De zon kleurt de velden al paars, het gaat avond worden,

maar de boer zaait nog steeds het zaad uit.

De boer staat helemaal voorop het schilderij,

alsof hij en de kijker elkaar de hand kunnen reiken,

alsof de kijker zelf de boer zou kunnen zijn.

En de zon, die onder begint te gaan staat recht boven het hoofd van de boer.

In een brief schrijft Vincent van Gogh aan zijn broer Theo:

“Ik zou gewone mensen willen schilderen als heiligen,

ik zou mannen of vrouwen willen schilderen met iets eeuwigs,

waarvan vroeger de nimbus het symbool was.”

De boer heeft de zon boven zich,

maar het is bijna alsof hij een gouden glans, een aureool, een nimbus, om zijn hoofd heeft,

teken dat dit gewone werk op het land

heilig werk is, dienstbaar aan mensen en aan God.

F. Marcus 4: 26-29 / De zaaier met zon (juni 1888)

Een paar maanden vóór het vorige schilderij maakte Van Gogh een andere zaaier.

Het licht van de zon straalt uitbundig in het rond.

In diverse schilderijen van Vincent van Gogh heeft de zon een extra symbolische betekenis.

De zon staat voor het licht van God, of voor Christus als het licht voor de wereld.

Het gele licht van de zon in het schilderij

raakt het koren aan en kleurt het oranje

en de leven schenkende kracht van de zon

wordt overgedragen op de zaaier en de akker op de voorgrond.

Het schilderij past ook mooi op deze 2e zondag van de 40-dagentijd,

waarbij traditioneel gelezen wordt over de verheerlijking op de berg,

en waar ook de bloemschikking van vandaag vanuit gaat.

Het licht van de hemel valt op Petrus, Johannes en Jakobus op de berg,

waar aarde en hemel toch al bijna raken,

en het licht geeft hen kracht.

Dit schilderij van Vincent van Gogh, over ‘een’ zaaier is te zien

als illustratie bij de diverse gelijkenissen van de zaaier in de Evangeliën.

De zaaier, Christus, zaait de woorden van het Koninkrijk van God uit,

en de zon schijnt achter hem, laat uitbundig hemels licht vallen op zijn werk.

G. Psalm 126: 5-6 / Stapel korenschoven (aug. 1885)

Al het zaaien is gericht op de groei en op de oogst.

Vincent van Gogh heeft ook vele schilderijen gemaakt waarin de oogst wordt uitgebeeld

en waar korenschoven op het land staan uitgebeeld.

Maar het is vandaag nog maar biddag, dus we beperken de oogst tot één schilderij.

Het is een vroeg schilderij, uit de periode in Nuenen, uit 1885.

De volle zware korenschoven zijn samengebonden

en staan tegen elkaar op het land.

Ze zijn teken van een rijke oogst.

Wíj zaaien op het land,

er worden ook woorden gezaaid over het Koninkrijk van God.

Op dat wat gezaaid wordt valt het zonlicht, het licht van de hemel.

En daarom is er tijdens het zaaien al vertrouwen op de oogst.

Psalm 126 zegt:

Ook al zaai je nog in tranen,

je zult bij de oogst thuis terugkomen met gejubel,

als de schoven zijn samengebonden.

Met dat vertrouwen mogen ook wij zaaien.

Amen.

 


5 maart 2017, 1e zondag van de 40-dagentijd

A. Verzoekingen van Jezus: zijn levensdoel, wie hij wil zijn (vs. 1-3)

‘De verzoeking in de woestijn’ wordt dit het evangeliegedeelte van vanochtend

gebruikelijk genoemd.

Waarin wordt Jezus dan verzocht, of beproefd?

Vlak vóór deze tekst heeft Mattheüs beschreven dat Jezus gedoopt is in de rivier de Jordaan.

Jezus wilde door Johannes gedoopt worden.

De doop was een teken van omkeer, toewijding aan God.

Bij die doop daalde een windvlaag van boven, de Geest van God, als een duif op hem neer.

En een stem uit de hoogte had geklonken: “Deze is mijn Zoon, de geliefde.”

Jezus had laten merken: Ja, zo wil ik zijn , in alle dingen van het leven

wezenlijk verbonden met God, als een goede zoon, dienaar, van God, tot het einde toe.

Dat hield dus ook in: Zich niet door andere invloeden en krachten

op een zijspoor, op een dwaalspoor, laten brengen.

Jezus trekt zich nu terug in het woeste gebied bij de Dode Zee.

40 Dagen, als voorbereiding op zijn werk in het openbaar daarna.

Juist aan het eind van die periode, meldt de duivel zich:

Als je dan de Zoon van God bent, zoals je bij de doop wilde zijn, zeg dan…

En dan volgen er dingen die met dat Zoon van God zijn in strijd zijn.

Wat de duivel probeert is niet Jezus een enkele fout te laten maken,

maar heel zijn levensprogramma te ondergraven, en wel vanaf de start.

De opzet is dat Jezus wel indruk zal maken,

maar dat alle handelingen gemengd zullen zijn

met eigen belang, met andere doelen, met compromissen met de duivel.

In de evangelietekst weerstaat Jezus die duivelse invloeden,

Hij overwint ze. De krachten van buiten blijken niet almachtig.

B. Belemmerende factoren

Maar hoe bied je als mens weerstand tegen zulke krachten, blijf je

bij jezelf, je eigen levensdoelen, hoe blijf je zoon of dochter van God?

De krachten die je wegtrekken van jezelf: kunnen uit allerlei hoeken komen.

Er kunnen goed bedoelde adviezen zijn van collega’s of vrienden:

zo moet je dat doen, dan kom je goed over.

Je kunt, nu in verkiezingstijd, soms politici zien

die bepaalde zinnetjes uit het hoofd hebben geleerd

of zich een bepaalde manier van doen hebben aangemeten,

en je merkt: zo zijn ze niet echt, ze bewegen niet natuurlijk, ze zijn het niet zelf,

maar anderen hebben ze verteld: zo moet je het doen.

Mensen kunnen in hun werk opdrachten moeten uitvoeren,

waar ze niet achter staan, wat anderen schade berokken. ,

Ze willen het eigenlijk niet, maar ze zien geen andere keus,

en met bezwaard hart doen ze wat hun tegenstaat.

Mensen kunnen in relaties ongemerkt en ongewild een ander klem zetten,

dwingen tot een rollenpatroon.

En geen van de twee kan nog vrij opereren, kan echt natuurlijk zichzelf zijn.

Mensen kunnen op hoge posten terecht komen in de wereldpolitiek,

beslissingen nemen waar duizenden het slachtoffer van worden,

maar ze zouden niet weten hoe het anders kan.

Maar zijn ze als volwassene nog verbonden met het kind dat ze eens waren,

het kind dat blij was met een veilig thuis, het kind met idealen?

Mensen kunnen in deze situaties een bepaalde periode van het leven dingen doen,

waarvan ze diep van binnen nog wel weten, dat ze dit helemaal niet willen doen,

maar ze zijn er nu eenmaal in terecht gekomen,

ze hebben een keus gemaakt, of ze hebben zich daar naar toe laten voeren.

En als ze er later op één of andere manier toch weer uit zijn gekomen, zeggen ze:

Toen was ik niet mij zelf,

ik deed het wel, maar ik was het tegelijk niet echt,

ik was onder invloed van vreemde krachten, groter dan mijzelf.

Mensen kunnen beginnen met iets dat niet helemaal juist aanvoelt,

maar op een gegeven moment hebben ze het niet meer in de hand.

Het kwaad groeit boven hen uit,

en wordt tot een macht buiten hen, boven hen.

In de Bijbel kan dan sprake zijn van de ‘satan’, of de ‘duivel’.

De ‘duivel’, (Grieks) dia-bolos, is letterlijk: degene die uit elkaar trekt,

die een mens van God wegtrekt, die een mens van zichzelf wegvoert.

C. De beproevingen weerstaan (vs. 3-10)

De drie beproevingen van Jezus hebben stuk voor stuk de bedoeling

om Jezus weg te trekken van de levensweg die hij gekozen heeft.

De 1e verzoeking is de verleiding om eerst voor zichzelf voor brood te zorgen.

Wat Jezus verder aan goede dingen wil doen, dat kan wel even wachten.

Zo gaan zovéél goede sociale bewegingen verloren,

als de leiders of de aanvoerders eerst voor zichzelf gaan zorgen

en voor zichzelf blíjven zorgen.

Bij de 2e verzoeking zou Jezus zich van het tempeldak laten vallen,

om opgevangen te worden door de engelen.

Dat zou veel aandacht trekken en indruk maken.

De tempel als religieuze plek speelt slechts een rol op de achtergrond.

En zo gaat het. Mensen trekken in de wereld de aandacht met opzienbarende daden

en ferme uitspraken, ook al bouwen ze daarmee niets op.

De woorden trekken de aandacht, maar de inhoud is leeg.

In de 3e verzoeking biedt de duivel Jezus alle koninkrijken van

de wereld aan. Kennelijk heeft de duivel in al die rijken invloed

of zelfs de overheersende macht.

Ja, macht is verleidelijk, en wie ergens macht heeft geproefd,

staat voor de verzoeking of meer macht te krijgen, en nog meer.

Totdat alle afwijkende stemmen in het land tot stilte zijn gebracht.

Hoe dan weerstaat Jezus deze verzoekingen?

Hij valt in alle drie de gevallen terug op woorden uit de Torah, uit het boek Deuteronomium,

woorden die hem vanaf zijn jeugd door zijn ouders zijn bijgebracht,

woorden die gelden als heilig in de traditie,

die hem hebben gevormd tot wie hij is,

en die hij bevestigd heeft bij zijn doop in de Jordaan.

Daarin vindt hij een anker.

Daar vindt hij uitgangspunten om zelf een positie in te nemen,

om zijn leven richting te geven,

om weerstand te bieden aan de verzoekingen.

Hoe weersta je verzoekingen?

Door je des te dieper af te vragen wie je wilt zijn,

waar je vandaan komt, wat je heeft gevormd,

wat je vandaaruit hebt opgebouwd,

en dat spoor verder te trekken.

D. Engelen (vs. 11)

Na de verzoeking, bovenmenselijk van aard,

kan er ook een nieuwe vrede komen van bovenaardse schoonheid.

Als Mozes 40 dagen en nachten op de berg Sinaï is geweest

en terugkomt met de stenen tabletten, met daarop de 10 Woorden,

straalt zijn gezicht,

vanwege de woorden die hij met zich meedraagt,

vanwege de eerdere nabijheid van Gods heerlijkheid.

Als Jezus tot 3 x de verzoekingen van de duivel heeft afgewezen,

wijkt de duivel en verdwijnt uit beeld.

Het teruggrijpen op de bijbelwoorden heeft helderheid gebracht.

Jezus weet weer waar hij heen wil, waar hij staat. De lucht klaart op.

En zie, nu komen engelen, en zij dienen hem.

Een hemelse rust omgeeft Jezus.

Als mensen uiteindelijk terug komen van de zijwegen in hun leven,

misschien met heel wat verlies,

en ze eindelijk weer zichzelf worden, en zij weer vrij kunnen ademen,

dan kan er het gevoel zijn, dat hemelse machten je omringen.

Ja, sterker, er kan het besef zijn dat je in eerder aanvechtingen en problemen

nooit helemaal alleen bent geweest,

zoals Mattheüs aan het begin schrijft, dat de Heilige Geest met Jezus meegaat,

de woestijn in waar de verzoekingen volgen.

E. Lijden en Pasen

Jezus doorstaat de verzoekingen.

Maar de verzoekingen zijn nooit definitief overwonnen.

Ze komen later in het evangelie, op weg naar Pasen, terug.

Petrus zal hem voorstellen om het lijden te ontlopen.

En Jezus wijst hem hard af: “Ga weg, naar achteren, jij, satan” (16: 23).

Nog aan het kruis zullen omstanders zeggen:

“Als je de zoon van God bent,” (dezelfde woorden die de duivel in de woestijn sprak)

“kom dan van het kruis af.”

Pas na die laatste verzoekingen:

komt er de bovenaardse vrede van het open graf,

zijn er die ochtend weer engelen die hem dienen (28: 2).

En dán kan gezegd worden,

dat aan Jezus is gegeven alle volmacht in hemel en op aarde (28: 18).

De duivel had de aardse koninkrijken aangeboden,

maar Jezus ontvangt dan die macht,

omdat ze hem vanuit de hemel wordt aangereikt.

F. Krachtig zijn

Vanaf vandaag tellen we de zondagen naar Pasen toe.

Het is een tijd om erbij stil te staan

welke invloeden en gewoonten en eigen neigingen ons van onszelf afvoeren;

en hoe we bij onszelf terugkeren, en zijn en blijven wie we willen zijn.

Het is een periode om te onderscheiden welke machten duivelse trekken hebben

en wanneer hemelse geesten ons omringen.

Het zijn weken om kracht te vinden

in woorden en waarden die het houden, die richting geven,

woorden uit de Schrift,

verhalen over de weg die Jezus is gegaan,

de weg die leidt naar het leven van Pasen.

Amen.

 

 


19 februari 2017, 60e dag vóór Pasen

Bijbeltekst: Lucas 8: 4-15    

A. De woorden van God als slechts klein zaad

Een gelijkenis gaat Jezus vertellen

over hoe het gaat met het Koninkrijk van God op aarde (vs. 10).

Hoe gaat het zijn weg, hoe wint het aan invloed?

Dan zou je kunnen verwachten, ernaar uit zien,

dat er iets goed zichtbaars genoemd gaat worden,

dat in de werkelijkheid duidelijk aanwezig is.

Dan heb je iets om je aan vast te houden.

Maar Jezus gaat vertellen: over zaadkorrels, per stuk maar nauwelijks zichtbaar.

Sommige zaadkorrels ontkiemen helemaal niet,

andere verdwijnen in de aarde, en boven de grond is er dan geen spoor van zichtbaar.

Het zaad is er wel, maar in de diepte, verborgen,

buiten het daglicht, nergens zichtbaar in de publieke ruimte.

Dat kan teleurstellend overkomen.

Paulus heeft in zijn brief aan de christelijke gemeente in Korinthe

ook al geen indrukwekkend verhaal (II Kor 12: 6-10):

Ik ga mij niet beroemen op mijn eigen sterkte, stelt hij.

Ik koester mijn zwakheden.

En als ik zwak ben, dan is dat voldoende, dan voel ik mij al sterk.

Het zaad verdwijnt onzichtbaar in de grond,

Paulus benadrukt zijn eigen zwakheid,

de kerk van vandaag is zwak.

Wat moet er dan worden van dat Koninkrijk van God, waar Jezus het over heeft?

B. Vier soorten grond

Het zaad is het woord van God, licht Jezus toe (vs. 11).

En woorden óver God, woorden ván God, worden uitgestrooid op diverse soorten grond.

Mensen die op allerlei stukken grond wonen, in dorpen en steden in Nederland, wereldwijd,

mensen vangen iets op van woorden van de God van de Bijbel.

Mensen in allerlei omstandigheden:

van welvaart en armoede, van vrijheid en onderdrukking,

van een rustig land en van chaos.

Bij al deze mensen vallen woorden van God als zaad neer.

En wat zegt dat zaad hun, wat doen ze er mee?

C. Grond 1: niet horen (vs. 4, 12)

Een eerste deel van het zaad in gelijkenis valt op de weg of vlak langs de weg.

Het is harde grond, het zaad blijft er boven op liggen, aan de oppervlakte.

Mensen die over de weg lopen trappen het kapot en vogels pikken het weg.

Zo gaat het met heel wat mensen.

Woorden die met geloof te maken hebben: worden niet echt gehoord.

Want het is geloof, en dus, menen zij,

iets van het verleden

of iets zwevends boven de aarde

of christenen willen daarmee hun eigen positie versterken.

In het beste geval hebben de woorden misschien wel iets goeds in zich,

maar moeten ze nodig vervangen worden door een beter denken,

dat meer aangepast is aan de moderne tijd.

Het is met regelmaat op te merken op radio en TV.

De woorden van geloof hoeven niet serieus genomen te worden, ze worden niet gehoord.

Het zaad krijgt geen kans om te ontkiemen.

D. Grond 2: korte vreugde, geen diepte (vs. 6, 13)

De tweede soort grond in de gelijkenis bestaat uit een dunne laag aarde,

met daaronder rotsachtig grond.

Uit het zaad komen plantjes op,

maar hun wortels kunnen niet de diepte in, vinden geen water,

en als de zon gaat branden verdorren ze.

Met deze soort grond zijn we wat later in de tijd.

De aarde heeft het zaad wel in zich op genomen, i.t.t. de eerste grond bij de weg.

Het zaad kan ontkiemen, kan iets gaan doen,

er schiet iets op, er wordt iets zichtbaar in de werkelijkheid.

Ja, mensen kunnen zelfs enthousiast worden over het evangelie (vs. 13),

hun leven ernaar inrichten, er positief naar anderen over spreken.

Maar als de omstandigheden in hun leven veranderen,

een meningsverschil met iemand, een verhuizing, andere werk, kinderen gekregen, lichamelijke klachten,

kan de aandacht voor het geloof ook zo maar weg vallen.

Hoe diep zat het geloof daarvoor dan, ga je je afvragen?

Wat er toch maar iets van de oppervlakte, en een dun laagje eronder?

Wat het geloof niet echt verwerkt,

was het zaad niet vermengd met de eigen gevoelens en vragen en twijfels,

had het geen stevigte gekregen door de ervaringen van de eigen levensgeschiedenis?

Was het meer theorie gebleven dan praktijk?

De tweede soort grond heeft iets tragisch:

het plantje zag er eerst veelbelovend uit, maar redt het toch niet.

E. Grond 3: verstikking door dorens (vs. 7, 14)

De derde soort grond is grond waar naast de plantjes van het zaad van het woord van God

ook onkruid groeit, dorens en distels.

In deze grond heeft het zaad het nog weer langer volgehouden:

Het is opgenomen in de grond, anders dan bij het zaad op en naast de weg.

En het zaad is verwerkt in het eigen leven, het is iets van de gelovige zelf geworden,

anders dan bij het zaad op rotsachtige bodem.

Maar dit zaad groeit niet alleen op de akker.

Rondom het zaad is sterk onkruid, dorens en distels.

En dat neemt zonlicht weg en trekt water en mineralen uit de grond

en het plantje van het geloof kan te kort gaan komen,

het wil wel groeien, maar het lukt niet meer, het verschrompelt en sterft.

Het is opvallend dat de distels in de uitleg door Jezus

zowel staan voor moeiten van het leven, als de aangename kanten ervan.

Wat tegen zit in het leven, wat mislukt, wat zwaar is

kan vragen gaan stellen aan het geloof:

wat baat het mij, wat heb ik eraan,

ik word door God niet behoed voor tegenslagen,

ik moet het kennelijk alleen doen,

ik kan het niet meer rijmen, waarom zou ik blijven geloven?

Maar de verstikking van de distels kan net zo goed van de andere kant komen.

Er is zoveel plezierigs om te doen, er is zoveel vertier en afleiding,

waarom zou ik me nog met woorden van geloof bezig houden,

ik kan mijn leven zonder dat ook goed invullen.

En naast de negatieve en de positieve kanten van het leven

zijn er nog de meer algemene vragen:

antwoorden op de vragen van het leven kan ik ook elders zoeken dan in woorden van geloof,

en de wetenschap verklaart ook veel,

en oude antwoorden van het geloof verliezen dan aan betekenis.

Distels links, rechts, overal.

De 3e soort grond lijkt niet een stúkje van de aarde te zijn,

maar lijkt zich uit te strekken over onze hele aarde.

En de gelovigen op de 3e soort grond in de gelijkenis

beginnen wel goed, maar stukje bij beetje wordt hun geloof verstikt,

ze slagen er niet in om het tot het einde toe vol te houden (vs. 14).

F. Grond 4: vrucht dragen (vs. 8, 15)

De 4e soort grond in de gelijkenis, waar de plantjes vruchten voortbrengen,

is niet alleen een apart stuk grond,

het heeft in zekere zin alle beproevingen van de vorige drie soorten grond al doorstaan.

Het heeft (1) het zaad in zich opgenomen, en niet aan de buitenkant laten liggen.

Het heeft (2) het zaad in zich laten werken,

heeft het tijd gegeven om in eigen tempo te ontkiemen,

de wortels hebben door de ervaringen van het leven heen

de diepte gezocht en hebben daar water gevonden.

Het plantje heeft (3) de distels weerstaan,

het kon de verleidingen en de vragen van het leven niet wegnemen,

maar het heeft zich eraan ontworsteld,

het is boven de distels uitgegroeid, al blijven die distels het hinderen.

Als kenmerk van de 4e soort grond noemt Jezus in de uitleg,

dat hier het woord van God, het zaad, is ontvangen met een oprecht en goed hart.

Het woord van God is ontvangen in het centrum van het bestaan, in het hart.

De woorden van het geloof zijn niet gebleven aan de oppervlakte,

maar zijn in het middelpunt van het leven gekomen.

Er is verstaan dat deze woorden van geloof

de sleutel vormen tot de geheimen van het leven (vs. 10).

En vanuit het hart laten de gelovigen op de 4e grond

hun denken en spreken; doen en laten

door die gezaaide woorden bepalen.

Zo dragen zij vrucht,

doen zij goede daden, zetten zij anderen aan het denken.

Bij de vruchten is te denken aan een houding van:

meeleven, barmhartigheid, geduld, vriendelijkheid, vrede, vreugde, hoop.

In de 4e grond dragen de gelovigen de gezaaide woorden

tot het einde toe met zich mee.

De woorden zijn er om mee te leven, en ze kunnen ermee sterven.

De plantjes op de 4e soort grond die vruchten dragen

zijn eens ook maar begonnen als een klein zaadje,

het was eerst zwak, zoals Paulus noemt in zijn brief.

Maar als het plantje vruchten draagt, kan het dankbaar terug kijken en zeggen:

Het komt toch allemaal door een zaadje dat ontvangen is,

Gods genade is genoeg voor mij geweest, zoals Paulus schrijft,

en in mijn zwakheid: heeft de kracht van God gewerkt.

Zó is het plantje tot bloei gekomen.

G. Naar Pasen (Sexagesima)

Wat Jezus hier zegt tot zijn leerlingen

en tot anderen die luisteren is niet alleen maar een verhaal.

Want Hij heeft de uitgezaaide woorden van God in zich opgenomen,

en ze zich eigen gemaakt,

ze ontvangen met een oprecht en goed hart.

Tenslotte is hij één geworden met de grond waarin dat woord werd begraven.

En hij is na alle verzoekingen, alle distels,

in bloei komen te staan

en heeft vrucht gedragen - op Pasen.

De lezing van vandaag, op wat heet ‘de 60e dag voor Pasen’ wijst daar al naar toe

en roept ons toe:

Omdat Jezus de Messias uiteindelijk vrucht heeft gedragen,

daarom mogen jullie het ook wagen met die gezaaide woorden van God.

H. De woorden van God horen in allerlei omstandigheden

Vier soorten grond worden getekend.

Het gaat er, denk ik, niet zozeer om dat wij ons de vraag stellen

tot welke van die vier soorten grond wij behoren,

en waar wij anderen indelen.

Het is eerder zo, dat we alle vier de omstandigheden meemaken.

Steeds weer is de vraag: horen we de woorden van God echt (vs. 18),

geven we ze de ruimte om in ons te werken,

zijn we ons bewust van de distels,

kunnen we vrucht dragen,

niet alleen voor onszelf maar ook voor anderen.

En bij alles mag er het vertrouwen zijn

in iemand die tot ons blíjft spreken,

die woorden in ons zaait.

Zijn genade is ons genoeg (II Kor. 12: 9).

Amen.

 

 


12 februari 2017, 70e dag vóór Pasen, Avondmaalsviering

Bijbellezing: Mattheüs 20: 1-16

A. De vreemde uitbetaling

Het is een vreemde uitbetaling in de wijngaard,

om 6 uur in avond, aan het einde van de werkdag.

Wie één uur heeft gewerkt krijgt een denarie, ongeveer een gemiddeld dagloon.

Wie 12 uur heeft gewerkt vanaf het ochtendgloren, ontvangt evenveel.

Het gemopper van de arbeiders lijkt terecht in onze ogen.

Maar de heer van de wijngaard stelt als vraag

aan één van de arbeiders die kritiek uit:

“Is jouw oog boos,

omdat ik goed ben?”

Wat de mopperende arbeiders naar voren brengen, sluit aan bij wat wij gewend zijn:

Als iemand meer uren werkt, gaat hij meer verdienen.

30 uur werk levert meer geld op dan 24 uur.

Maar het systeem werkt niet altijd goed.

Want sommige mensen maken meer uren dan nog gezond voor hen is.

En anderen worden door niemand gevraagd, kunnen niet gebruikt worden,

zoals de arbeiders tot het 11e uur op het plein wachten (vs. 6v), totdat iemand hen wil hebben.

En mensen met hele hoge functies kunnen vele keren meer verdienen

dan iemand met een lagere functie,

ook al maken ze evenveel uren op een dag.

De heer zegt tot één van de groepen arbeiders als hij hen vraagt:

Ik zal jullie geven wat rechtvaardig is (vs. 4).

En dat is in de gelijkenis nu precies de vraag: wat is rechtvaardig?

B. De wijngaard als beeld

Nu gaat wat Jezus vertelt wel over wérk, maar het is een gelijkenis.

De vertelling wil eigenlijk iets zeggen over iets ánders.

Eraan vooraf gaat een vraag van Petrus aan Jezus.

Petrus zegt: wij zijn als leerlingen u gevolgd, hebben alles achter ons gelaten, wat zal ons lóón zijn, wat zullen we ontvangen (19: 27-30)?

En dan vertelt Jezus deze gelijkenis.

Over mensen die 12 uur werken, 9 uur, of maar één uur voor wat Jezus noemt

‘het Koninkrijk van God’, en die daarna loon uitbetaald krijgen.

Het werk in de gelijkenis speelt zich af in een wijngaard.

Dat is geen willekeurig beeld.

Bij de profeten in het O.T. wordt het volk Israël verscheidene malen vergeleken

met een wijngaard.

God legt op vruchtbare grond een wijngaard aan, plant de wijnstokken

en hij hoopt dat de wijngaard door tijden van zon, regen en woestijnwind heen,

mooie druiventrossen voort zal brengen,

waar goede wijn uit voort zal komen,

zodat het goede van het leven gevierd kan worden.

Deze wijngaard staat te midden van andere grond, grond die minder vruchtbaar is.

De wijngaard is nog maar een begin.

Het begínt met deze wijngaard, maar de boer hoopt

op vruchtbaarheid en wijn op heel het aardoppervlak.

De wijngaard is symbool van hoop, hoop op een nieuwe aarde.

Als Jezus nu dat beeld van de wijngaard oppakt in zijn gelijkenis,

geeft hij aan, dat wie met hem mee willen werken,

werken als in een wijngaard.

Ze zijn er om op klein gebied, in en rondom een kerkelijke gemeente,

iets te laten zien van hoe heel de aarde kan worden.

De wijn die wij drinken bij het Avondmaal

is zichtbaar teken van het beeld van die wijngaard,

is vooruitwijzing naar de tijd dat heel de aarde eindelijk tot bloei zal komen.

Aan de tafel rond het Avondmaal bevinden we ons als het ware

in een kleine voorlopige wijngaard, wachtend op meer.

C. Evenveel van het goede ontvangen

In deze wijngaard gaat het anders toe dan in de wereld daaromheen.

In de eigenaar van de wijngaard kunnen we God zien.

En de opzichter die de arbeiders betaalt aan het eind van de werkdag: dat moet dan Jezus zijn.

De mensen die gewerkt hebben in de wijngaard,

die geprobeerd hebben een stukje aarde vruchtbaar te maken,

die hebben geplant, water gebracht,

die tot hun dankbaarheid vruchten hebben zien komen,

die ontvangen bij de uitbetaling: evenveel.

Wie al vele jaren en vele uren zich heeft ingezet voor de Heer

van de wijngaard, ook in de hitte van het midden van de dag,

en wie alleen maar iets kan bijdragen in de avondschemering, in de luwte,

zij krijgen evenveel.

Wie al vele jaren actief met geloof bezig was

en wie pas later gelegenheid kreeg zich intenser met geloof bezig te houden,

zij krijgen evenveel.

De gelijkenis van de wijngaard doorbreekt ons gewone denkpatroon

Ze hoeven in deze wijngaard niet meer te rekenen,

zoals ze op zoveel plekken moeten doen:

sta ik hoger of lager dan de anderen die zich inzetten;

ben ik veilig of ga ik eruit bij de volgende bezuinigingsronde,

hoe blijf ik vóór op mijn collega, die ik tegelijk als mijn concurrent moet zien?

Het hoeft in deze wijngaard goddank niet.

De arbeiders weten zich met de mensen om hen heen

werkers aan een zelfde zaak, ze bereiden een féést voor.

Dat is de sfeer die hen omringt, de werksfeer.

Ze zijn collega’s van wie naast hen zijn, ja meer: broeders en zusters.

Ze zijn voor de eigenaar van de wijngaard evenveel waard

en dat is juist een reden tot vreugde!

De arbeiders zijn gelijk, en dat is bevrijdend.

Wat is nu dat loon, die denarie, het loon dat wordt uitbetaald?

De eigenaar noemt zichzelf goed:Is uw oog boos, omdat ik goed ben.

Wat is dan het goede dat hij uitbetaalt?

Dit bijbelverhaal over de wijngaard staat in het middeleeuwse leesrooster,

zoals overgenomen door de Lutherse kerk,

op de eerste zondag die naar Pasen toe begint te tellen.

En dat begin wordt nog versterkt door de lezing uit de brieven:

We stellen ons op in de renbaan om naar Pasen toe te lopen (I Kor. 9: 24-27).

Wat is het goede dat God mensen geeft op de weg naar Pasen toe,

en waarvan ieder evenveel ontvangt?

In de weg die Jezus gaat,

zijn onderwijs, zijn genezingen, zijn lijden, zijn opstanding,

wordt duidelijk de trouw van God aan mensen,

de goddelijke liefde door alle dood heen,

het leven dat blijft.

En dát wordt mensen aangeboden, dat heil van God krijgen ze uitbetaald.

Daarvan kun je niet méér eisen dan je medearbeider,

dan zou waarlijk je oog boos zijn, terwijl God goed is.

Dat loon is voor ieder gelijk.

Van de schat die op weg naar Pasen door Jezus is verzameld en opgebouwd

krijgen mensen uitbetaald:

elke arbeidsdag, elke dag van het leven,

en dat loon is voldoende voor elke dag.

D. Zijn wij tevreden met dit loon?

De vraag is:

Zijn wij tevreden met dit gelijke loon, dat mensen met elkaar verbíndt,

met deze goedheid?

Of willen wij elders een ander loon ontvangen,

een loon dat mensen uit elkaar trekt.

E. Avondmaal als uitbeelding

Het Avondmaal is te zien als uitbeelding van de uitbetaling in de gelijkenis van de wijngaard.

Wij ontvangen evenveel, een stukje brood, een slok wijn.

Brood en wijn verwijzen

naar het loon dat wij vanuit de hemel ontvangen,

het deel dat we krijgen van het heil van God,

de gemeenschap met Jezus de Zoon,

en dat loon is voldoende voor elke levensdag.

Wij geven schaal en beker aan elkaar door,

opdat degene naast ons evenveel kan krijgen als wij.

Het loon verbindt ons met elkaar, als arbeiders in dezelfde wijngaard.

Het ontvangen van evenveel brood en wijn

doet ons ook uitzien naar het moment

dat alle mensen in de wereld voldoende ontvangen

van het goede dat God hun geven wil.

En ondertussen kunnen wij dankbaar zijn

met dit teken van voorlopige uitbetaling,

loon uit de hemel - hier op aarde.

Amen.


Preek 29 januari 2017, 4e zondag na Epifanie

Bijbeltekst: Mattheüs 4: 12-22

A. In het donker bij de zee verschijnt het Licht [Epifanie] (vs. 12-16)

Aan de noodwestelijke oever van het meer van Galilea, in Kafarnaüm, vestigt Jezus zich.

Nadat hij eerder bij Johannes de Doper bij de rivier de Jordaan was geweest en daar was gedoopt.

Mattheüs vindt dat gebied rond het meer terug in de profeet Jesaja en citeert daaruit:

Het volk dat in duisternis gezeten is: zal een groot licht zien,

want, zo loopt de tekst in Jesaja door,

een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven.

U hoort, dit is de tekst uit Jesaja, die vaak in de Kerstnacht gelezen wordt: een kind ons geboren, een zoon ons gegeven.

Vanaf die geboorte, Kerst, is een licht gaan schijnen.

In de tijd van Epifanie is het duidelijker tot openbaring gekomen.  

En nu, eind januari, gaat er in de lezingen daadwerkelijk licht vallen

op eerste mensen aan dat meer van Galilea.

Het licht gaat schijnen, maar was het dan zo donker rond het meer van Galilea?

Is het overdrijving?

Maar we weten: mensen kunnen zicht op de weg vóór hen uit verliezen,

te veel onduidelijkheden, te veel dingen die zich ongevraagd opdringen,

een nevel omgeeft hen.

Mensen kunnen het zicht op God kwijt raken, te veel raadsels in het leven, te veel donkere wolken die het zicht op de zon afschermen.

En met het oog op zulke omstandigheden schrijft Mattheüs:

Iemand verschijnt die licht brengt,

zodat helder zicht weer mogelijk wordt.

In Kafarnaüm werken vier vissers, Simon en Andreas,

en een stukje verder Jakobus en Johannes.

Ze werken op het meer.

Of preciezer: op de zee, zoals Mattheüs consequent schrijft.

Dat water in Galilea heeft de grootte van een meer,

maar voor Mattheüs roept het de herinnering op aan de zee van het Eerste Testament:

de Rietzee waar de Israëlieten maar nauwelijks door konden ontsnappen uit Egypte,

de Middellandse of Grote Zee, waar de profeet Jona op terecht kwam.

De zee is in de Bijbel beeld van onberekenbare omstandigheden,

waar wind en golven woest te keer kunnen gaan, waar je in kunt verdrinken.

De zee kan ook beeld van de grote zee van volken zijn

waar het kleine Israël met zijn eigen verhaal: in kan ondergaan.

Mattheüs zal niet voor niets later in zijn evangelie vertellen

over een storm op het meer van Galilea, waarin de leerlingen vrezen te zullen verdrinken.

De vissers werken dus op de zee.

Daar vinden zij hun levensonderhoud. Daar zijn ook de gevaren.

Hun thuisbasis is Kafarnaüm, op de grens van land en zee,

de wankele grens van veiligheid en gevaar,

de grens van het bekende en het onbekende.

Naar dat grensgebied,

met die donkerheid voor mensen en die chaotische krachten buiten hen,

met de onoverzichtelijkheid in eigen leven en de onzekerheden

om hen heen

komt het Licht.

Jezus verschijnt.

B. Roeping (vs. 17-18, 21)

De vier vissers horen van bekenden, dat er iemand langs het meer trekt,

een nieuwe rabbi, die stelt

dat het Koninkrijk van de hemelen niet ver weg hoeft te blijven,

dat het vlakbij is gekomen, onder handbereik,

dat de hemel de aarde aan kan raken,

als mensen zich openstellen.

De vissers horen, dat in dat Koninkrijk,

mensen zich verbonden weten met elkaar

als lotgenoten bij alle bedreigingen in het leven,

maar ook als kinderen van God die leven van een zelfde genade,

dat zij daar daarom als bondgenoten zich in zullen zetten

voor elkaar om hun samenleven te bewaren.

Mensen zullen niet meer tegenover elkaar als concurrenten

of naast elkaar staan, onverschillig,

maar toegewend naar elkaar als mensen die bij elkaar horen.

De vier vissers horen niet alleen van anderen over Jezus.

Hij komt ook hun kant op, komt aan hen voorbij

En hij spreekt hen aan, roept hen om met hem mee te trekken.

Ze beseffen: Deze leidsman wil niet alleen alles zelf beslissen en uitvoeren.

Hij wil graag mensen bij zich, als medestanders,

die met hun ervaring en kennis

hun rol kunnen spelen in het groepje, in de beweging rond Jezus.

Hier met deze eerste vier leerlingen begint iets te ontstaan dat lijkt op een mini-kerk.

De vier vissers weten zich gewaardeerd, gekend.

Ze zullen elk op eigen wijze behulpzaam kunnen zijn

bij de verhalen die Jezus wil vertellen in het land,

bij zijn genezende handelingen aan wie lijden.

De vissers zullen elk op eigen manier Jezus dienen.

C. Taken (vs. 19)

De taken die de vissers krijgen in het gezelschap van Jezus

liggen dan ook in het verlengde van wat zij al deden.

“Ik zal jullie vissers van mensen maken” - zegt hij hun toe.

Ze worden nu een ander soort vissers.

Ze zullen mensen omhoog halen uit de diepten die hen omgeven, het daglicht tegemoet.

Ze zullen aandacht moeten hebben voor de winden en de golven,

de chaos, krachten van buitenaf, uit de samenleving, in hun eigen leven,

die mensen soms tot een speelbal maken;

zoals ze al wisten van de onberekenbaarheid en wind en golven op het meer.

De volgelingen van Jezus zullen geduld moeten hebben,

of mensen in deze nieuwe beschermende vangnetten opgevangen willen worden,

zodat ze hen niet met geweld naar zich toe trekken - voor hun eigen belang,

maar pas als mensen zelf het net als bescherming gaan zien.

Ze zullen de gaten in de nieuwe netten dichten, zodat mensen niet zomaar, tegen hun wil, weer wegglijden in de diepten;

zoals ze eerder de netten van hun schepen boetten aan de kant v/h meer.

De beeldspraak verandert.

Eerst vingen de vissers vis opdat hun familie zou leven.

Nu vangen zij mensen opdat deze aan de oppervlakte het hoofd boven water kunnen houden, boven de chaos uit

en aan land kunnen komen en leven op Gods goede aarde.

De beeldspraak verandert, de technieken blijven dezelfde.

Hun oude werk wordt op een hoger plan gebracht.

Als de vissers zelf hebben ervaren hoe nabij het Koninkrijk is,

hoe zij zelf gezien zijn, geroepen en gered,

dan zullen zij nu anderen redden uit de chaotische zee van het leven,

hen laten delen in de nabijheid van dat Koninkrijk.

D. Volgen (vs. 20, 22)

De vissers horen de uitnodiging van Jezus,

laten hun werk, hun boot, hun vader, achter, en volgen Jezus.

Ze doen dat ‘meteen’, direct, terstond.

Het woordje ‘meteen’, dat er twee keer staat, geeft het fundamentele aan van de keus

die de vissers maken.

Wat en wie ze achterlaten zijn niet onbelangrijk geworden,

maar het Koninkrijk dat nabij is gekomen, gaat voor.

Juist in dat Koninkrijk zullen alle eerdere relaties

opnieuw hun plaats krijgen, maar in een nieuw licht.

Ze zullen aan diepgang winnen.

Wat de vissers vooralsnog gaan doen, geeft Mattheüs

bij de 2 x 2 broers in beide gevallen weer: met het woord ‘volgen’.

Dat kun je nog het duidelijkste letterlijk opvatten.

Jezus gaat voorop.

De vier vissers, die leerlingen zijn geworden, gaan achter hun meester aan.

Hij bepaalt voor hen de koers,

welk dorp ze in zullen gaan, tot welke mensen ze zich zullen wenden.

Op de plaatsen waar ze zullen komen zullen de vissers vooral waarnemers zijn, getuigen,

van de tekenen die Jezus doet,

de woorden die hij spreekt,

de liefde die hij laat zien.

Dat alles zullen ze op zich in laten werken.

En pas als ze genoeg hebben gezien,

als ze niet alleen Jezus uiterlijk hebben gevolgd,

maar hem ook innerlijk zijn gaan volgen,

zich zijn gedachten hebben eigen gemaakt,

dan zullen ze er zelf op uittrekken, om op te treden zoals Jezus heeft laten zien,

om de nabijheid van het Koninkrijk uit te beelden.

Een kerkelijke gemeente bestaat ook uit mensen die Jezus volgen, zijn volgelingen.

Dat betekent wéér: De richting van wat we doen:

laten bepalen door wat Jezus heeft gedaan.

De verhalen over Jezus gaan voorop

en in vertrouwen daarop volgen wij.

Wij gaan in het spoor van de voetafdrukken

die de verhalen over Jezus hebben nagelaten.

En soms, als we mensen ontmoeten binnen of buiten de kerk,

als we passende woorden proberen te spreken,

als we een plan trachten te smeden,

kan het voelen, of er al werkelijk iemand voor ons uit is gegaan,

of ons werk al is voorbereid, of het voornaamste reeds is gedaan,

en de puzzelstukjes vallen vanzelf in elkaar.

We volgden alleen maar,

de Geest van Jezus was al voor ons uit aan het werk.

Het Koninkrijk der hemelen is inderdaad vlakbij.

E. Het licht verder dragen (vs. 16) [vgl. A]

Een ster is gaan schijnen, het licht is geboren

en het is eerste mensen gaan beschijnen bij het meer van Galilea.

Het licht schijnt ook voor ons, spreekt ons aan [LB 601], beschijnt ons gezicht.

En als wij dat licht volgen, kunnen wij gaandeweg zelf kleine lichtjes worden,

om bij te staan wie in donker zijn, in diepte van zee, in chaos.

Door het geboren Licht komt de hemel nabij, vinden wij echt leven.

Gelukkig dat dít Licht bestaat.

Amen.

 


Preek 22 januari 2017, Week van gebed voor de eenheid van de christenen

Bijbeltekst: II Korinthiërs 5: 14-20

A. Moeite van verzoening tussen mensen

Verzoening tussen twee mensen is een mooi woord,

twee mensen die het weer goed maken,

maar het is in de praktijk vaak een zware weg

en iets waar mensen nogal eens voor terug schrikken.

Als mensen elkaar lang niet hebben gesproken, niet hebben willen spreken,

kan het steeds zwaarder worden om een eerste stap te zetten.

Of u kunt het gevoel hebben dat u zou moeten vergeven.

Maar als u meent dat de ander iets fout heeft gedaan

en deze wil dat niet erkennen, deze weigert schuld te belijden,

dan valt er dus geen schuld te vergéven en is er ook niets op te lossen.

Verzoenen is ingewikkeld en zwaar.

Zo is het ook in het groot.

Het thema vd week van gebed is aangedragen door de Duitse kerken.

En in het beeld van de muur: klinkt de Berlijnse muur mee,

jarenlang beeld van de verdeling van Europa.

Maar ondertussen is het al weer zoveel jaar na 1989, toen die muur werd gesloopt,

en is de welvaart in de vroegere DDR nog steeds een stuk lager

dan in het westen van het land,

is er in het oosten een gevoel van achterstelling, is er nog steeds een kloof,

ondanks lange inzet voor verbetering.

Verzoening blijkt een langdurig proces.

Verzoening tussen kerken gaat ook langzaam,

als zouden ze toch het één en ander moeten delen.

Het samengaan hier van gereformeerd en hervormd

ging via een proces van jaren, van behoedzame kleine stappen,

zodat heel langzaam meer vertrouwen kon worden opgebouwd.

Verzoening in een ruimer gebied lijkt er voorlopig niet in te zitten.

En landelijk en wereldwijd beperkt men zich vooral tot praktische samenwerking tussen kerken, en is men al blij als het gesprek gaande gehouden kan worden.

B. Moeite van verzoening met God

In de Bijbel is verzoening niet alleen iets tussen mensen,

maar ook iets tussen mensen en God.

Mensen kunnen het besef hebben, dat ze dingen verkeerd hebben gedaan.

Maar durven ze dat voor zichzelf te bekennen,

durven ze dat voor God te belijden, vergeving te vragen?

Dat kost het één en ander.

Andersom kunnen mensen het gevoel hebben, dat Gód op afstand blijft

dat hij niet van zich laat horen, of te weinig.

Wanneer wordt nu eens vanaf die andere kant de kloof overbrugd?

C. Uitwegen die weinig opleveren

Als echte verzoening lastig is, kun je andere uitwegen zoeken.

Mensen kunnen zeggen: ik zet die ander, met wie ik een conflict heb,

met wie verwijdering gegroeid is, maar buiten haakjes.

Ik leef mijn eigen leven, en doe of de ander er niet is.

En soms gaat het ook niet anders.

Maar toch ergens in de diepte kan het probleem blijven zeuren,

het is slechts schijnbaar opgelost.

Mensen kunnen ook een harde aanpak kiezen:

Ik heb gelijk, en ik sta in mijn recht.

En als er iemand zich aan moet passen, dan is het de ander.

Het is een houding die mensen niet alleen in het klein toepassen,

maar die ook wordt aangehouden in verscheidene hoofdsteden,

sinds 2 dagen ook in Washington.

De kloven worden dan eerder groter dan kleiner, en verzoening raakt uit het beeld.

Maar zijn zulke luide uitingen van eigen gelijk

dan tekenen van sterkte of eerder van zwakte,

een onvermogen om over een kloof heen een begin van een brug aan te leggen?

D. Handelwijze van Jezus

In de evangeliën zien we Jezus optreden tussen mensen.

Met een wonderlijke vrijheid wendt hij zich tot mensen

die op afstand van anderen zijn gekomen

door ziekte, door hun leef- of handelswijze.

Hij ontkent niet dat zij fouten gemaakt kunnen hebben,

maar hij roept nu een nieuw moment uit:

Uw zonden zijn u vergeven, sta op, ga naar huis;

of: bij u wil ik in huis komen om te eten.

Mensen wordt teruggebracht in de gemeenschap met anderen

en worden ook rechtvaardig verklaard voor God.

Onder het verleden wordt een streep gezet.

Een nieuw begin met nieuwe mogelijkheden vangt aan.

En als gaandeweg het leven van Jezus blijkt dat de kloof tussen mensen en God te groot is,

dat mensen niet willen ingaan op de uitnodiging van God,

dan houdt Jezus niet aan de zijlijn vast aan zijn eigen gelijk,

maar zet hij zichzelf tussen mensen en God, als offer,

om beide te verbinden.

E. Nieuwe werkelijkheid (vs. 14v, 17, 19, 21)

Paulus, die deze dingen over Jezus heeft gehoord,

trekt er in zijn brief aan de chr. gemeente in Korinthe in Griekenland conclusies uit.

Als mensen zo in het leven gaan staan, als Jezus hun voorhoudt,

dan worden zij opnieuw verbonden: én met hun medemensen, én met God,

dan vallen de muren om hen heen weg,

worden ze nieuwe mensen, een nieuwe schepping.

Dan hoeven ze niet in hun schulp te kruipen bij conflicten,

dan hoeven ze ook niet als het tegengestelde: zichzelf groot te maken tegenover anderen,

hun eigen trots te laten zien,

dan worden zij als mens met al hun zwakheid en fouten

door God aanvaard en gewaardeerd

en weten ze zich verbonden met andere mensen

als lotgenoten, die evenals zij zelf fouten maken

en vergeving nodig hebben: van mensen, van God.

Levend in relatie met Jezus

word je een nieuwe mens, een nieuwe schepping,

vrij, en tegelijk dienstbaar voor anderen.

F. Zelf aan verzoening werken (vs. 14, 16, 18)

Als mensen zich een nieuwe plek krijgen

tussen andere mensen, voor God,

dan is dan echter geen eindpunt.

Paulus zegt: “Nu ik weet van de verzoening die bij Jezus te vinden is,

dan moeten wij ons des te meer inzetten voor verzoening om ons heen.”

Als wij gezien hebben met welke liefde Jezus mensen een plek terug gaf tussen anderen,

voor God,

dan ligt het voor de hand om ook te kijken, hoe wij verzoening dichterbij kunnen brengen,

niet als iets dat wij opleggen,

maar geduldig, volhardend, creatief,

om mensen vrij te maken van muren die hen afsluiten,

om ze te laten delen in de nieuwe schepping, die Jezus liet oplichten.

G. Perspectief

Verzoening, het opheffen van spanningen,

het in vrede en vriendschap verbonden zijn,

het is iets moois, en iets om dankbaar mee te zijn als het bereikt wordt.

Maar het kan ook een moeilijke en lange weg zijn om daar te komen,

tussen mensen, tussen kerken, tussen landen.

Vaak staat de verzoening nog uit, is er nog een kloof, is de afstand een feit.

Als verzoening zelf nog niet mogelijk is,

zet de liefde, die in Christus getoond wordt, ons in elk geval aan

tot een open verzoeningsgerichte hoúding,

tot een opletten, of er kieren, gaten in de muren ontstaan,

als signaal dat steen voor steen de muur verlaagd kan worden,

dat ontmoeting mogelijk wordt, handen geschud,

verzoening voorstelbaar,

als een nieuwe schepping.

Amen.

 


Preek 15 januari 2017, 2e zondag na Epifanie

Bijbeltekst: Johannes 2: 1-11

A. Diverse vlakken van het verhaal

We kunnen een beeld maken van de bruiloft te Kana.

We zien dan verscheidene personen: de pas gehuwden, bruid en bruidegom,

er zijn de gasten die genodigd zijn, Maria is er, Jezus en zijn eerste leerlingen,

er is een ceremoniemeester die de wijn keurt en er is het personeel dat bedient.

Maar Johannes kijkt tegelijk terug: er klinkt een andere bruiloft mee.

Een bruiloft zoals in het boek Hosea aangeduid, van God met de mensen op aarde,

eerst met het volk Israël en vervolgens met alle volken.

En Johannes kijkt ook vooruit. Zoals er bij de die bruiloft te Kana mensen zijn

die bedienen aan de tafels, die het feest proberen te organiseren:

zo zijn de mensen in een kerkelijke gemeente dienstbaar

aan de grote bruiloft van God met de mensen.

En de dienaren in een gemeente willen de gasten van buiten ontvangen.

B. De dienaren

Een feest kan alleen gehouden worden, als er mensen zijn die dat voorbereiden,

die eten inkopen of klaar maken, die de voorraden in de keuken aanvullen,

die op tijd beginnen om koffie te zetten.

En tijdens het feest zijn er mensen nodig, die de hapjes rondbrengen,

die bladen met drankjes de zaal inbrengen.

Een bruiloftsfeest in het oude Israël kon 7 dagen duren,

dus er moest vooral heel wat geregeld worden, en afgesproken

wie op welke dag, en dan welk dagdeel, dienst zou doen.

En er moest tijdens de dagen ingespeeld worden op onvoorziene omstandigheden.

In de kerkelijke gemeente geven we zulke feestelijke gelegenheden ook vorm:

- gisteren tijdens de nieuwjaarsreceptie in de Gabriëlflat

- soms tijdens koffiedrinken op zondag

- bij een kerstbroodmaaltijd.

Zij bij de organisatie betrokken zijn weten:

het is een verantwoordelijkheid, je moet op allerlei dingen letten,

en als er iets vergeten is, moet je een noodoplossing bedenken.

Maar als het samenzijn feestelijk wordt, dan kan er tussen alles door een gevoel zijn van:

dit is goed, dit heeft, op één of andere manier, iets te maken

met hoe Gód feestelijk met mensen samen wil zijn, zijn bruiloftsfeest met de aarde.

C. Gebrek

Maar er ontstaat in Kana een probleem: de wijn raakt op.

Ze redden het met de wijn niet voor 7 dagen. Het feest dreigt halverwege te stranden.

Zullen de gasten die zijn uitgenodigd dan nog wel blijven

of verlaten ze dít feest en gaan ze hun heil elders zoeken?

Wat verteld wordt over Kana is min of meer herkenbaar.

In kerkelijke gemeenten ontstaan problemen, het personeel raakt op.

Als er minder mensen zijn om de gerechten te bereiden

en de bloemetjes op tafel te zetten, en slingers op te hangen,

is de sfeer van het feest dan nog te handhaven?

En als er minder geld beschikbaar is, en er niet zo veel wijn kan worden ingekocht

als we zouden willen, hoeveel dagen kunnen we het feest dan vol houden?

De vrees dat het feest gaat kapseizen is echter niet nieuw,

we komen het in de Bijbel zelf al tegen, te Kana.

D. Opdracht

Het personeel in Kana merkt dat ze wijn tekort gaan komen en melden het aan Maria.

Zij, een generatie ouder dan het bruidspaar,

die al meer heeft meegemaakt, die levenswijsheid heeft verzamelt,

en die de traditie van Israël kent, en die haar zoon kent,

en weet dat deze de oude traditie verdiept en vernieuwt,

zegt tegen hen: Luister maar naar wat mijn zoon jullie zegt.

En wat hij zegt, dat moet je doen.

Daarmee geeft Johannes aan de gemeenten van toen en nu door:

Als het feest vast begint te lopen, als het kerkelijk leven stroef wordt,

dan hoef je niet zelf iets compleet nieuws te gaan bedenken,

van nul af aan iets tot nu toe ongekends te verzinnen.

Ga eerst maar eens aandachtig en zorgvuldig naar de woorden van Jezus luisteren.

Misschien hoor je dingen, die nog niet echt tot je door zijn gedrongen,

die langs je heen gingen.

Laat eerst dat verhaal van Jezus maar dieper op je inwerken.

En als je dat goed gehoord hebt, dan zou je al wel eens reeds een stuk op weg kunnen zijn

om ideeën en vormen te vinden hoe je het feest weer in beweging kunt krijgen.

Als je te snel oplossingen gaat bedenken,

krijg je misschien wel een groots feest,

maar wat niet zo zeer een feest is, dat past bij Maria en Jezus.

In Kana vraagt Jezus de dienaren om de 6 grote stenen waterkruiken

die daar staan tot de rand met water te vullen.

De waterkruiken zijn daar, zodat de gasten hun handen kunnen wassen

als teken van rituele reiniging voor het eten.

De gasten reinigen zich van buiten, met hun handen, als symbool

om innerlijk de feestelijkheid zuiver te kunnen ontvangen.

Als de dienaren de watervaten gevuld hebben, zegt Jezus hun:

schenk nu een beker, of een glas, vol

en breng die naar degene die leiding geeft aan het feest,

die verantwoordelijk is voor het verloop van het feest.

De dienaren krijgen niet de opdracht iets geheel nieuws te gaan doen.

De watervaten stonden er al, horen bij het gebruik van het feest.

En ze doen gewoon dagelijks water in de vaten.

En ze gebruiken het vaatwerk, bekers of glazen, die ze al hadden.

Alleen, ze moeten het bekende wel herschikken.

Het was nieuw om water uit de reinigingskruiken: in bekers te gieten.

En de dienaren moeten dit nieuwe wel doén.

Ze moeten de bekers vullen, en ze brengen naar wie de drank keurt.

Wat zal deze zeggen, en wat zullen de gasten zeggen,

als die hen zien lopen met bekers met water uit de reinigingsvaten?

De dienaren lopen het risico uitgelachen te worden.

“Wat zijn jullie nu aan het doen, wat moet dat opleveren?”

Zo zijn er allerlei oude en nieuwe dingen in een kerk te doen.

Is dat nu zo bijzonder - kan sceptisch opgemerkt worden.

Zo iets is elders in veel krachtiger vorm te vinden, maar dan zonder geloof.

Wat voor waarde heeft dat, wat levert het op?

Ja, je moet, luisterend naar de woorden van Jezus, dingen dúrven, en maar afwachten, hopen

wat het voor mensen gaat betekenen, welke diepte het krijgt,

wat het in het hart van iemand gaat doen, of er een ander zicht ontstaat,

of er … een wonder gebeurt.

E. Kwaliteit van de wijn

Degene die de wijn keurt, proeft van de beker die hem is aangereikt, en hij oordeelt:

“Dit is wijn van superieure kwaliteit, van een eigen klasse.

Zo’n soort wijn hebben we op dit feest nog niet gehad.”

Waar en wanneer dan is het wonder geschied? - kunnen we vragen.

Toen de dienaren de kruiken vulden met water tot de rand,

of toen ze de vloeistof in een beker deden,

of terwijl ze onderweg waren naar de leider van het feest

of toen deze proefde en de drank tot zich naam?

De dienaren weten het niet.

Ze hebben zelf niets bovennatuurlijks gedaan.

En ja, ze hebben gedaan wat Jezus vroeg.

Als in een kerk de feestelijkheid onder druk komt te staan

moet er natuurlijk hard worden nagedacht en moeten er plannen worden gemaakt

en nieuwe dingen geprobeerd worden, die wel of niet kunnen lukken.

Maar uit het verhaal van de bruiloft te Kana

komt om te beginnen een aansporing naar voren

om te luisteren naar de woorden van Jezus en de verhalen over Jezus.

En om dan te gaan waarheen die woorden wijzen,

om in zijn geest samen de feestelijkheid te vieren in een kerkgebouw of waar ook,

en zoals hij deed naar mensen te luisteren en hen nabij te zijn,

om met elkaar de Schriften te spellen,

en om onderweg te helpen wie in nood zijn.

Al de dingen die zo vertrouwd zijn, als de reinigingsvaten tijdens de bruiloft te Kana.

Maar het bekende zal wel steeds weer in nieuwe vormen gegoten moeten worden,

om zo dicht mogelijk op mensen aan te sluiten.

En als je dan ogenschijnlijk kleine dingen doet,

water draagt naar mensen,

dan kan het toch zijn dat zij zeggen:

dit proeft als wijn, ja wijn van de beste kwaliteit.

Hier proeven we het geheim van leven,

hier gaat het nu om in het leven op aarde.

Het aardse water: kan de smaak van de hemel krijgen.

Het hoeft niet spectaculair over te komen,

maar voor mensen individueel kunnen kleine woorden en gebaren

een wereld van verschil maken.

Dat is toch de verwachting, dat er in een kerkelijke gemeenschap

af en toe iets te ervaren is, een drank te proeven,

die je nergens anders zo goed vindt,

niet omdat de dienaren zo veel bijzonders doen,

maar omdat de woorden en de Geest van Jezus er door heen spelen.

F. De gasten

Tenslotte, de dienaren brengen de wijn niet alleen voor het bruidspaar en voor zichzelf rond.

Er zijn de gasten.

En er wordt kennelijk op veel gasten gerekend.

De 6 stenen watervaten bevatten samen, omgerekend, zo’n 500 liter.

Met 500 liter wijn kunnen heel wat glazen gevuld worden.

Het feest mag van Jezus dus uitbundig zijn. Voor wie uit Kana komen en van buiten.

En Johannes laat iets doorklinken:

Voor dit oude bruiloftsfeest van God met de mensheid, uit Hosea,

daar moet ook veel wijn voor aanwezig zijn.

Want: velen zijn genodigd.

En Jezus zorgt voor een drank, woorden, gedachten, die ons hart blij maakt,

die ons het ware leven doet proeven.

En die stroom van drank is misschien wel onuitputtelijk.

Wij hebben in een kerkelijke gemeente niet zo veel uit onszelf,

dat merken we af en toe pijnlijk genoeg.

Maar we proberen feestelijke ontmoetingen te houden,

die open zijn, ja die bestemd voor vélen in onze omgeving.

En we mogen geloven dat met slechts water, aardewerk en glas, al de gewone dingen,

er toch wonderen kunnen gebeuren.

Amen.


Preek Nieuwjaarsdag, 1 januari 2017

A. Vragen bij onze plannen

De tijd rondom de jaarwisseling is bijna vanzelf een tijd om plannen te maken:

Dit jaar wil ik graag dít nieuw gaan doen, of dát anders aanpakken.

En ook wie door omstandigheden maar beperkte mogelijkheden heeft,

maakt toch kleine plannen: ik wil graag nog zó, als het mogelijk is ook nog dát.

Plannen maken betekent: naar voren kijken, naar de toekomst leven.

Maar dan komt Jakobus onze plannen en voornemens doorkruisen.

Terwijl wij al in beweging komen om onze plannen te gaan realiseren,

zet hij ons de voet dwars en brengt ons tot stilstand.

Jakobus stelt: Ik weet dat mensen hun plannen maken voor een heel jaar.

Ze zeggen: “Vandaag of morgen zullen wij reizen naar die-of-die stad,

en daar zullen we een jaar vol maken

en we zullen er handel drijven en geld verdienen.”

Maar Jakobus relativeert dat: “U weet nog helemaal niets

hoe de dag van morgen zal zijn, wat er dan kan gebeuren,

hoe wilt u dan beslag gaan leggen op een heel jaar?”

Tussen de regels door stelt Jakobus ook vragen bij het doel van de plannen.

“Wij zullen reizen naar die-of-die stad, er handel drijven, en geld verdienen”

- zijn er misschien ook nog andere soorten doelen om aan te denken voor een nieuw jaar.

Zeurt Jakobus nu, is hij te negatief?

Jakobus vraagt in wezen: zie je in je plannen niet iets over het hoofd?

Mag Gód ook nog iets willen in een nieuw jaar,

en mag wat God wil meetellen bij de plannen die wij maken?

Jakobus stelt: Je zou ook iets anders kunnen zeggen, namelijk:

“Als de Heer wil,

dan zullen wij leven,

en zullen wij dit of dat doen.”

Mag de wíl van God invloed hebben op onze plannen?

Ook deze uitspraak van Jakobus kan echter omgebogen worden,

zodat nog steeds alleen onze wil telt.

Dit ‘als God het wil’ of in het Latijn ‘Deo Volente’ kan netjes

in een aankondiging verwerkt worden.

Op een kaart kan staan: “Wij zullen D.V. 18 februari dit gaan doen.”

Is er dan vooraf afgewogen of het geplande past bij de wil van God?

Of gaan we het hoe dan ook wel ondernemen?

Het ‘Als de Heer het wil’ kan gelezen worden als:

Als het ons lukt, dan heeft de Heer het kennelijk mogelijk gemaakt.

Maar mag ‘de wil van God’ ook zelfstandig meetellen?

B. De wil van God voorop

Jakobus hoort mensen zeggen: Wij zullen dit jaar dat en dat doén.

Maar hij vraagt: Probeer nu vanaf het begin van een jaar

eerst eens rekening te houden met “dat wat de Heer wil”.

Dan wordt de vraag niet meer: Wat wil ik voor mijzelf bereiken, wat is voor mij aangenaam?

Maar dan komen er ook vragen bij als: Hoe kan ik plannen maken, tijd maken,

om toe te nemen in wijsheid,

om meer te verstaan van geloven

en de wereld om ons heen te doorgronden?

Hoe kan ik plannen maken, waarmee ik mensen in mijn omgeving van dienst kan zijn?

Hoe kan ik te midden van verharding in de wereld

toch hier en daar invloed uitoefenen,

zodat andere waarden een rol spelen, die verwijzen naar het Rijk van God?

Als ik mijn handelen afstem op wat God wil, zo zegt Jakobus,

dan ga ik pas léven in volle zin, samen met anderen, samen met God.

Als ik mijn plannen niet alleen voor mij zelf doe, juist dan vind ik meer voldoening.

Je kunt de strekking van de uitspraak van Jakobus wat vrijer als volgt weergeven:

“Pas als wij gaan handelen zoals de Heer wil,

zullen wij léven vinden

en zullen wij het ene dan wel het andere doen.”

Met de zin “Als de Heer wil”

zet Jakobus ons vanaf dag 1 van het nieuwe jaar: op een ander spoor.

Met dit zogeheten ‘voorbehoud van Jakobus’

laat hij ons enerzijds halt houden

en geeft hij ons anderzijds de gelegenheid onze kleine plannen instrument te laten worden

in dienst van Gods grotere plannen voor deze wereld.

C. Het goede/schone doen

Aan het eind van ons stukje tekst vat Jakobus samen

wat dat dan inhoudt: uitgaan van de wil van God.

Dat komt heel eenvoudig geformuleerd, neer op:

het goede doen,

of het is ook te vertalen als: het schone doen, het mooie.

De wil van God is: het goede, het mooie doen.

Dat wat het leven van mensen om je heen mooier maakt, aangenamer,

dat wat voor jezelf goed aanvoelt, omdat de daad eerlijk was en nuttig.

De wil van God doen is: schone dingen maken, die mooi zijn,

een stukje van de schepping op laten lichten.

Als de Heer wil, Deo Volente,

zullen wij leven

en dát mooie doen,

in het jaar dat voor ons ligt.

Amen.


Preek 25 december 2016, Kerstmorgen

Bijbeltekst: Lucas 2: 1-20

A. Het gebeuren in de nacht, en de stilte erna

Een bijzondere nacht hebben de herders meegemaakt.

Een lichtende gestalte die in het donker verscheen

en wonderbaarlijke woorden sprak over een menselijk kind,

in wie al de waarheid van God, en zijn genade en gerechtigheid

al verborgen aanwezig waren.

Dichtbij zou dat kind te vinden zijn, in de stad van David, in Bethlehem.

En rond die ene lichtende gestalte

had zich later gevoegd een menigte, een koor, van hemelse wezens, van engelen,

die zongen over

eer aan God in de hoge, en over vrede op aarde,

door dit genoemde kind.

Maar zo plotseling als de engelen verschenen waren,

zo snel waren ze later ook weer weggegaan,

opgelost in het donker van de nacht.

De nacht keerde terug op veld van Efratha, en de stilte keerde terug.

Alles zag er weer uit, zoals voordat de engelen kwamen.

Is er wel iets veranderd?

B. Keuze om wel of niet naar het kind toe te gaan

En wat gaan de herders dan doen?

Ze kunnen zich afvragen:

Hebben wij wel een bericht van engelen ontvangen, en via hen van de hemel,

of hebben we het slechts gedroomd,

hebben we ons samen mee laten voeren door emoties,

maar nu zien we toch dat er niets veranderd is in de werkelijkheid.

Maar ja, ze hebben wel een gemeenschappelijke ervaring gehad.

Zo kunnen mensen nu soms bijzondere ervaringen hebben,

in de natuur, onder de sterren, maar ook zo maar in huis,

ervaringen waarin iets van hogerhand zich aandient,

waar je niet bij kunt, maar wat weldadig aanvoelt,

opening naar een nieuwe werkelijkheid.

Maar als het maar even is, en je ziet er later niets meer van om te heen?

En als je alleen was, met wie kun je zoiets teers delen,

wie is bereid je te geloven?

Maar als mensen samen iets meemaken, samen een ervaring hebben,

een zelfde gevoel door hen heen is gegaan,

dan kan hun geloof sterker worden:

ja, er gebeurde wel degelijk iets vanuit de hemel.

De herders hadden ook kunnen zeggen:

Ja, we geloven wel dat er engelen waren,

en het was een mooie ervaring, iets om te onthouden en te bewaren,

maar ja, wij hebben nu eenmaal de schapen te hoeden, daarvoor worden wij betaald,

wij kunnen niet zo maar ons werk achter ons laten.

We hebben wel belangstelling voor het kind,

maar we hebben ook met andere eisen te maken.

Naar het kind op zoek gaan, dat gaat niet.

De zang van de engelen was mooi, maar daar laten we het bij.

En ook dit is herkenbaar.

Er zijn genoeg mensen in onze tijd

met enige belangstelling op religieus gebied, binnen en ook buiten de kerk,

er zijn heel wat mensen, die bijbelverhalen mooi vinden,

en die vaag het gevoel hebben dat bijbelse en christelijke waarden

hun nut kunnen hebben in een samenleving

die alle mogelijke kanten uit kan bewegen, zonder samenhang.

Maar, maar, we moeten nog zoveel meer,

en er wordt dit van ons gevraagd, en dat al geëist

en als we een beetje tijd over hebben, willen we zelf vooral nog dat en dat.

Sorry, zelf actief gaan zoeken naar een mensenkind, verbonden met God,

iets meemaken in een gemeenschap rondom dat kind van Kerst,

het gaat nou eenmaal niet,

nu niet tenminste, misschien later nog eens,

maar misschien is er ook dan geen tijd,

want dan zijn er weer andere eisen dan in deze tijd.

C. Gaan en vinden

De herders op het veld overleggen met elkaar: wat gaan ze doen?

En ze besluiten: “Kom, laten wíj dan naar Bethlehem gaan.”

De herders gaan op zoek naar een kind in een kribbe.

Hebben zij in Bethlehem naar een geboren kind moeten vragen? Lucas vermeldt het niet.

Als mensen vroegen waarom ze een kind zochten,

en de herders iets mompelden over engelen,

hebben de inwoners van het stadje hen toen hoofdschuddend

nagekeken, ach zulke goedgelovige herders…

Maar de herders zetten door,

ze ontdekken een afdak, een stal achter de herberg van het stadje,

komen binnen bij Maria en Jozef.

Zij vinden het kind zoals hun was gezegd, in doeken gewonden,

liggend in een kribbe, een voederbak, een trog voor dieren.

De herders hebben eerst alleen gehoord,

maar na hun zoeken en blijven vragen, kunnen zij nu zíen.

En ze beseffen: de woorden van de engel waren waar.

Kijk, zo gaat het ook met geloven in onze tijd.

Mensen horen vaak eerst iets over geloof,

van ouders, van vrienden, lezen iets op internet.

Dat kan mooi klinken, intrigerend zijn. En daar blijft het dan soms bij.

Maar je kunt ook zelf op weg gaan, gaan zoeken,

je moet vragen om verder te komen,

en dan kun je door ervaringen of door nadenken

zo ver komen, dat je merkt: hé, nu zíe ik er ook iets van,

ik neem het geloof waar als werkelijkheid,

ik kan het kind bijna aanraken, ik ben vlakbij,

en iets van licht straalt om het kind heen.

De herders hebben het bericht van de engel in gedachten

en vertellen dat aan Jozef en Maria.

En Maria vertelt wat zij eerder van een engel heeft vernomen.

De verhalen komen samen.

Maria, Jozef, de herders, ze leven samen van woorden uit de hemel.

Je zou kunnen zeggen:

Hier rondom het kind in de kribbe ontstaat een eerste christelijke gemeente,

van de ouders die al dicht om het kind waren

en van de herders die van buiten zich bij hen voegen.

Ondertussen, een ervaring kan op het eerste gezicht ook tegenvallen.

Want wat zien de herders nu helemaal?

Een kind, zijn ouders, de dieren van reizigers in de herberg.

Het kind is nog volstrekt weerloos,

de omstandigheden van zijn geboorte zijn armzalig.

Wat kan dit kind uitrichten in de grote wereld?

Je moet in het geloven soms ook door de schijnbare kleine dingen heen kijken, verder kijken.

Het kind ligt armzalig en weerloos in de kribbe,

en zo zal het later niet weglopen voor het lijden van mensen

in de wereld, maar naast hen komen, en zo betrouwbaar worden.

Het zal het lijden niet ontlopen, maar op zich nemen.

Het weerloze van het kind wijst al naar de barmhartigheid en goedheid

die het later zal tonen.

De herders beseffen dat het brengen van vrede op aarde, waar de engelen over zongen,

dat dat een lange en zware weg gaat worden voor het kind,

en voor wie het kind willen volgen.

De engelen waren maar even te zien,

en het kind zal soms ook verborgen zijn.

Maar de woorden over glorie in de hoge en vrede op aarde

zijn te mooi om los te laten, om op te geven,

om in te wisselen voor de vele gebruikelijke dagelijkse woorden en opdrachten en eisen,

waar de herders aan moeten voldoen.

Ze geloven de woorden van de engel en de woorden van Maria

en ze geloven in het Kind dat ze hebben gezien.

Wat doen de herders verder bij het Kind? Staan ze rondom de kribbe;

knielen zij neer, als teken van verering, dat zij dit kind willen dienen en volgen?

Lucas laat het open, hij is spaarzaam met wat hij vertelt,

en juist zo laat hij ruimte voor onze invulling, onze verbeelding.

D. Verder vertellen en teruggaan naar het dagelijks leven

Na het bezoek aan het kind, vertellen de herders aan anderen:

hun ervaring met de engelen, en het zien van het kind.

Ze kúnnen er over praten nu ze hebben gehoord én gezien,

ze zijn gesterkt in hun geloof.

Met wie spreken zij? Ook nu weer laat Lucas het open:

de mensen in de herberg, of elders in Bethlehem.

“En allen die het hoorden, verwonderden zich” - schrijft hij.

Ze worden door de herders aan het denken gezet,

komen ook voor de vraag, of zíj misschien het kind willen zoeken.

Dan keren de herders terug naar hun kudden.

Want het werk moet wel weer opgepakt worden.

Christelijk geloof plaatst je niet buiten de samenleving.

Maar er is iets veranderd in de herders.

Ze hebben iets meegemaakt van hogere orde, een kind dat hemel en aarde verbindt.

Ze hebben iets gevonden, dat vooraf gaat aan alles wat ze in hun dagelijks leven moeten doen,

dat de vragen en eisen die op hen afkomen: relativeert, lichter maakt;

omdat ze al iets hebben ervaren, ontvangen:

een vrede, een redding, die alles doortrekt.

Ze hebben gezocht

en wat ze hebben gevonden: zal voortaan doorklinken

in alles wat ze doen, en bij allen met wie ze omgaan.

Het licht van de kribbe

zal met hen meegaan.

Amen.


Kerstavonddienst 2016

Lezingen : Lucas 2 : 1-7
Mattheus 25: 31-40
 

Een eigentijds kerstverhaal.

Een man en een vrouw zijn onderweg. Om zich te laten inschrijven.
Maar waar? Toen,nu,in alle tijden.
Het kan hen niet schelen als ze maar ergens ingeschreven worden.
Want in hun land van herkomst is geen plaats voor hen.
In Syrië wordt Alek geboren. Een veilige omgeving toen. Maar dat wordt anders als er een burgeroorlog uitbreekt
waar strijdgroepen (zoals Isl.Staat) en grootmachten uit Oost- en West zich mee bemoeien.
Veel mensen vluchten uit hun weggebombardeerde huizen en ook Alek moet vluchten voor zijn leven.
Tante Malvina ontfermt zich over Alek die op dat moment 13 jaar is. In haar gezin wordt Alek opgenomen
en ook een kleiner meisje Stella. Ze komen uiteindelijk terecht in een van de grotere steden in Turkije.
Maar Syrische vluchtelingen zijn niet altijd gewenst in dit land.
Ze hebben geen rechten, kunnen geen beroep doen op voorzieningen zoals medische zorg en
kinderen mogen niet naar school. Voor Alek ziet het er nog slechter uit. Hij heeft geen enkel document dat hem een
gezicht geeft. Hij heeft wel steeds een geboortebewijs, maar wordt als illegaal behandeld. Hij kan zich niet laten inschrijven…
Alek  trouwt met Stella die ook door tante Malvina als pleegkind was opgenomen.
Het feestje vindt plaats in een kleine kring van vrienden en bekenden.
Intussen probeert hij identiteitspapieren te krijgen. Nergens kunnen ze zich laten inschrijven.
 Ze zien geen andere mogelijkheid dan maar op goed geluk naar het Westen gaan.
Voor veel geld worden in ze door onbekende mensen naar Europa gebracht en komen in Nederland terecht.
En daar begon de hele (papieren) strijd opnieuw: omdat ze geen papieren hebben, kunnen ze
zich niet laten inschrijven. Ze bestaan niet op papier, dus bestaan ze helemaal niet ,zijn ze illegaal.
Hier zou het kerstverhaal al kunnen stoppen: van inschrijving is geen sprake.
Maar het gaat verder. Ze zoeken onderdak. En krijgen dat in een AZC  ergens in Nederland.
Om hun asielaanvraag af te wachten. Intussen raakt Stella zwanger en wordt Mike geboren.
Welke toekomst kunnen ze hem bieden?
Geen plaats voor deze mensen. Omdat ze zich niet kunnen laten inschrijven.
Maar wie zegt dat?
In de kinderbijbel lezen we over een herbergier die aan Maria en Jozef vertelt dat er
geen plaats is in de herberg. Maar in de bijbel wordt helemaal niet gesproken over
een herbergier. Over niemand. Er wordt alleen melding gemaakt door de schrijver
Lukas dat er geen plaats is in het stedelijke nachtverblijf of de herberg = slaapplaats.
Geen plek om hun hoofd neer te leggen.
In het grieks staat er: ou topos = geen plaats. Daar komt ons woord ‘Utopie’
vandaan. Utopei = een droombeeld: een ideaal, dat niet te verwezenlijken is.
Een ideale wereld die buiten de werkelijkheid blijft, waar je alleen van kunt dromen.
Want in onze wereld is vaak geen plaats voor daklozen, voor vluchtelingen, voor
mensen zonder verblijfsvergunning, mensen zonder naam, rechtelozen…er wordt
niet met hen gerekend, ze tellen niet mee.
Wie zegt dat?
Geen plaats.
Of toch….een stal. Het is bij de beesten af. Maar wel warm. Wel een dak boven je
hoofd. Beter iets dan niets. Iemand heeft hun nood gezien. En is creatief aan de
gang gegaan. Ruimte geschapen. Plaats gemaakt.
Zoals de Schepper plaats geschapen heeft…
Wie heeft er plaats gemaakt? Wie is zo creatief geweest?
De herbergier?
Wie is dat?
Het doet me denken aan het verhaal dat Jezus verteld heeft
en dat we ook gelezen hebben over de komst van de Mensenzoon.
"ik was een vreemdeling en jullie namen mij op en dat hebben jullie voor mij gedaan."
De hoofdrol is aan de herbergier gegeven: die niet genoemd wordt in het verhaal,
maar het is iemand die plaats gemaakt heeft voor mensen die geen plek hadden om
hun hoofd neer te leggen.
Zo is het leven van Jezus begonnen. Zonder het te weten heeft de herbergier de
Mensenzoon een plaats gegeven. Van een Utopie werkelijkheid gemaakt.
Van zulke herbergiers, mensen die hun medemensen in nood herkennen en helpen,
moet de wereld het hebben. Plaatsmakers voor mensen, die er niet mogen zijn.
Het kerstverhaal van toen blijkt actueler dan ooit.
En hoe het met Alek verdergaat? Uiteindelijk zou hij horen of er plaats is voor hem, zijn vrouw en hun kind.
Dat er engelen mogen zijn die deze boodschap komen brengen…


Preek 11 december 2016, 3e Adventszondag

Bijbeltekst: Jesaja 35

A. De weg naar Kerstmis / Sion

Wij begeven ons deze weken op weg naar het Kerstfeest.

Dat geldt in de kerkelijke gemeente, waar dingen worden voorbereid en neergezet:

adventskaarsen, een kerstboom,

waar uitnodigingskaartjes worden gemaakt, inkopen gedaan voor bijeenkomsten.

Maar ook in het persoonlijke leven zijn we op weg naar het Kerstfeest.

Kerstkaarten worden gekocht, een velletje postzegels erbij,

een planning wordt gemaakt, waar zijn we op Eerste of Tweede Kerstdag, en met wie.

Wat staat er al in huis, wat moet er bij komen.

Advent, tijd van voorbereiding, tijd van op weg zijn.

Deze periode kan een fijn gevoel geven, sfeervol.

Het kan soms ook druk worden: ik moet nog dit en dat.

Er kunnen ook scheuten van andere gedachten tussendoor komen: ik mis iets of iemand.

En waarnaar zijn we op weg?

Waar gaat het om in dat feest in de winter?

Om ontmoeting met mensen met wie u zich verbonden weet,

om ontmoeting met het kind van Kerstmis,

om bezinning?

Je zou af en toe tussen kaarsen en muziek en geregel

nog kunnen vergeten wat je hoopt te vinden op het Kerstfeest.

Wat doet de voorbereiding van het feest met je,

het brengt iets in beweging, je gaat dingen doen, voorbereiden,

er is een sfeer van feestelijkheid.

Is die feestelijkheid op één of andere manier te delen in je omgeving?

De bijbeltekst van vandaag uit de profeet Jesaja brengt een weg in beeld.

Die weg voert door de woestijn naar de berg Sion, de stad Jeruzalem,

plaats van de tempel, plek waar God te ontmoeten is.

En er zijn mensen die over die weg gaan.

B. Beginsituatie

Het is overigens niet duidelijk wie degenen zijn die zich op de weg bevinden.

Er worden geen historische omstandigheden genoemd.

Er staat niet bij: in het jaar van koning die en die.

Het lijkt te gaan over de ballingen die na de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs naar Babel waren gedeporteerd;

en die na 50 jaar in Babel gelegenheid krijgen om terug te keren naar Juda,

over de handelswegen die van oost naar west liepen.

Maar dat komt in het boek Jesaja pas aan de orde vanaf hoofdstuk 40.

Hier in hoofdstuk 35 wordt veel meer in het algemeen gezegd, los van plaats en tijd,

dat wie ver van huis terechtgekomen zijn, en ver van de voornaamste woonplaats van God,

de tocht terug naar huis kunnen aanvaarden, naar de heilige plaats,

naar de feestelijkheid van de ontmoeting met God.

Die mensen moeten wel eerst wakker gemaakt worden.

Ze worden omschreven als doof en blind,

niet letterlijk,

maar ze hebben in hun oren niet meer de woorden over God

en ze kunnen met hun ogen om hen heen geen tekenen van het werken van God zien.

Ze zijn te zeer afgeleid op de plaats waar zij in ballingschap wonen.

Er zijn te veel andere dingen om hen heen te horen en te zien.

Hun oren zijn doof en suf getoeterd, hun ogen verblind.

Waar te midden van de drukte en het rumoer in de steden

in den vreemde zullen ze tekenen van God ontwaren?

De beschrijvingen van Jesaja zijn herkenbaar in onze tijd.

Het geluid, de informatie, de beelden: zijn alleen maar toegenomen.

Om je op God te richten moet je misschien af en toe je ogen sluiten, juist om te kunnen zien,

moet je het geluid van buiten: ook buiten houden, juist om te kunnen horen.

De Adventstijd is ook een tijd van bezinning:

waar ging het ook al weer om in het leven, waar kan ik me op richten.

Jesaja roept de mensen daarom op:

Maakt de knikkende knieën stevig, maakt de slappe handen sterk,

neemt je iets voor, richt je op iets anders dan wat je om je heen hoort en ziet,

iets van een andere orde, dat je al bijna vergeten was,

ga, op dé weg, naar Sion.

C. Belevenissen op de heilige weg

In het beeld van Jesaja, dat niet-historische plaatje, dat visioen,

gaan de mensen, die op reis gaan, niet over een bestaande handelsweg.

Het is een andere weg, die wordt genoemd ‘de heilige weg’,

en die wordt aangeduid als een brede weg, met plaats voor velen,

waar een leger zich over een verplaatsen, een heerbaan,

in een Engelse vertaling zag ik staan een ‘highway’.

Het is een weg door God of de engelen aangelegd voor de gelovigen.

En alleen wie zich rein maken, zullen over die weg gaan, schrijft Jesaja.

Want alleen wie God wil ontmoeten in zíjn woonplaats zal op weg gaan.

Anderen blijven rustig daar, waar al genoeg te horen en te zien is.

En wie op weg gaat, op pelgrimstocht, moet ook dingen achter laten,

kan niet alles mee nemen, die moet keuzes maken.

Daar zit een element van reiniging in.

En dan onderweg, gebeurt er iets met de reizigers.

Als zij zich instellen op de ontmoeting later met God in Sion,

als ze hun gedachten daar op richten, als ze zich innerlijk voorbereiden,

dan komt er van alles in beweging in hen.

Jesaja schrijft:

Wie eerst moeizaam vooruit kwam, verlamd, lam, gaat springen als een hert.

Wie eerst weinig zei, stom geworden, door wat ze meegemaakt hadden, ingekeerd in zichzelf,

wordt enthousiast, en de stomme zal jubelen,

niet slechts gaan spreken, maar een laag hoger, jubelen.

Dat is ook een vraag voor ons in de Adventstijd.

Die tijd brengt ons in beweging

doordat we allerlei dingen moeten doen in kerk en huishouden.

Maar kan de Adventstijd ons ook geestelijk in beweging brengen

als we voorbereidend mediteren over het wonder van het Kerstfeest,

dat de hemel de aarde raakt,

dat een kind al alles van de hemel in zich kan hebben,

dat de woorden van God menselijke gestalte aannemen, vlees en bloed,

dat het ware menselijke leven voor ons uitgebeeld wordt.

D. De omgeving

De weg naar de tempel, woonplaats van God, voert niet door liefelijk, aangenaam landschap.

De weg loopt door droge gebieden die worden aangeduid

als woestijn, dorre streken, een steppe.

Weer kun je denken aan een weg vanuit Babel in het oosten

naar Jeruzalem in het westen door de Syrische woestijn,

maar zoals gezegd, Jesaja noemt Babel niet als vertrekpunt, het is algemener bedoeld.

Waar mensen zich losmaken van de bestaande samenleving,

daar op een bepaalde manier afstand van nemen, eigen keuzes maken

en zich richten op de plaats, het gebeuren, waar God te ontmoeten zal zijn,

daar voert die weg door onherbergzame streken.

Dat is een weg alleen gaan, of met weinigen,

niet begrepen worden, vreemd aangekeken worden.

De weg is lang om God te vinden.

Er is moed nodig, maak de knikkende knieën stevig, schreef Jesaja.

Het kost tijd, er is geduld nodig, volharding, inoefening,

om je beetje bij beetje af te stemmen op de wereld van God.

In de lezing uit de brief van Jakobus worden dat geduld en die volharding benadrukt.

Maar onderweg gebeurt er iets, niet alleen met de reizigers,

de stommen die jubelen, de lammen die springen,

maar de omgeving verandert.

De woestijn en dorre vlakten en de steppe, aan weerszijden van de weg,

lijken de gedachten en de vreugde van de mensen op de weg aan te voelen

en zíj tonen hun blijdschap.

Bloemen schieten omhoog, in het zand ontstaan bronnen,

waterbeken slingeren zich door het eerdere droge gebied.

De natuur deelt in de feestelijkheid van de pelgrims.

Is dat alleen maar dichterlijke overdrijving, of profetische overdrijving?

Maar het komt vaker voor in de Bijbel,

dat de natuur vanzelf deelt, wanneer mensen heil ontvangen.

Door wie schieten die bloemen op?

Zorgen de mensen op de weg daarvoor - niet bewust lijkt het;

gebeurt het vanzelf, toevallig - dat is ook niet waarschijnlijk;

is de hemel in het spel - daar lijkt het meer op.

De mensen op de weg bereiden zich voor op wat hen wacht in Sion.

Zij leven daar naar toe, worden enthousiast, stemmen zich al af op God.

En als gevolg, of als antwoord van boven af,

stralen zij iets uit naar weerszijden van de weg.

Zij maken de wereld mooier.

Een strook van groen rondom de weg laat als versiering aan wie op grotere afstand is

zien hoe je kunt komen op de plek waar de God van hemel en aarde te vinden is.

De bloemen die in de woestijn opschieten zijn trouwens een verhaal apart.

De meeste vertalingen noemen een soort van krokus, of ook wel een narcis.

Oudere vertalingen spreken over een roos, zo ook LB 501,

en in een roos kunnen dan weer allerlei middeleeuwse en huidige gedachten meeklinken over de roos als symbool van liefde.

De NBV heeft een lelie, waarbij een witte lelie heeft de symboliek

van zuiverheid met zich meebrengt.

Hoe dan ook, de schepping langs de weg, deelt in de beleving van

de mensen op de weg naar Sion.

En wie er roos of lelie wil lezen, kan er nog meer in horen.

 

Jesaja houdt ons dit beeld voor:

Een weg die leidt naar de ontmoetingsplek met God, de dag van het feest.

En wij worden genodigd die weg, die heilige weg, te betreden.

En door wat wij op die weg ervaren, wat het naderend feest ons te zeggen heeft,

kan misschien ook iets van de vreugde, de feestelijkheid,

invloed hebben op onze omgeving,

onbewust, door ons heen of lang ons heen;

invloed in het huis waar wij wonen, de mensen die wij ontmoeten;

opdat niet alleen wij zelf

maar de schepping in bredere zin gevoelig wordt

voor het bijzondere van het feest dat wacht.

Amen.


Preek 4 december 2016, 2e Adventszondag

Bijbeltekst: Mattheüs 3: 1-12

A.  Vuur bij Johannes de Doper: inleiding

Johannes de Doper is bij de rivier de Jordaan. 

Mensen die willen, worden door hem gedoopt. 

En ter voorbereiding spreekt Johannes over de samenleving van die dagen;

Johannes zet zich daar tegen af,

hij roept mensen op nieuwe keuzes te maken,een nieuw begin, een doop. 

Daarbij vallen harde woorden: 

over bomen die worden omgehakt, al bij de wortels,

over takken die in het vuur geworpen wordenen verbranden.

Kan een niet een beetje vriendelijker, kun je dan gaan denken. 

Aan de andere kant: Er zijn in onze tijd mensen die met regelmaat TV en krant halen,

nationaal en internationaal,

uitsluitend gericht op eigen belang, welbewust zich afzettend tegen hun tegenstanders, 

ze zeggen het één,en u denkt: ik weet dat je iets heel anders bedoelt. 

En soms kan de gedachte opkomen: 

kunnen zulke mensen nu niet eens met vuur uit de hemelvan het toneel worden weggebrand,

kan zo’n boom nou niet eens geveld worden. 

De gedachten van Johannes,dat er in zijn tijd een aantal dingen grondig mis waren,

en dat alleen vanuit de hemel orde op zaken gesteld zou kunnen worden,

is ook voor onze tijd nog niet zó vreemd. 

Alleen, als iemand van de aarde zou worden verwijderd,

staan er binnen de korte keren weer anderen op

met dezelfde ideeën en met misschien een nog grotere mond.

B.  Centrale boodschap: komst van het Koninkrijk

Maar die woorden van Johannes over het vellen van bomenen verbranden met vuur

spreekt hij pas in tweede instantie. 

Het centrale dat hij wil zeggen, is iets anders.

Johannes de Doper heeft het gevoel dat er iets in de lucht hangt. 

Dat wat door de profeten voorzegd is, 

dat op brede schaal de heerlijkheid van het rijk van God zichtbaar zou gaan worden op aarde,

dat staat op het punt om te beginnen.

Johannes zegt in het woeste gebied bij de Jordaan:

Het koninkrijk van de hemel is vlak bij gekomen, is nabij, 

het zal ook op aarde voet krijgen. 

En daarom: keer u om, richt u op dat rijk dat komt, bereid u voor.”

Johannes zegt: Het rijk is genaderd, is vlakbij gekomen.

Hij zegt niet: Het is hier, bij mij, 

ik weet hoe het is, hoe het in elkaar zit, wat je precies moet doen.

Johannes houdt afstand:het rijk ís er nog niet, het is nabij. 

Op het moment dat mensen zeggen: bij mij, bij ons, is het koninkrijk,wij wéten het,

gaan dingen mis.

Dat blijkt in de geschiedenis telkens weerbij kerken en sekten.

Dat beschikt de leider of een groep leiders over de absolute waarheid, 

en de leden worden gedwongen die na te leven

en wie afwijkende opvattingen heeft wordt uit de gemeenschap verbannen. 

Johannes stelt: ik bereid slechts voor. 

Ik ben niet waard de sandalen te dragen van hem om wie het echt gaat.

Hier in het evangelie van Mattheüs wordt ook niet gesproken van ‘het koninkrijk van Gód’,

het staat er voorzichtiger ‘het koninkrijk van de hemel’, 

want met het woordje ‘God’ hebben mensen zoveel ongelukken begaan. 

De hemel is voldoende, met een sfeer die zozeer anders is dan wat gewoon is op aarde

Díe  hemelse sfeer komt naar de aarde, met de Messias die wordt gezonden.

Johannes wéét zelf niet alles, hééft de waarheid niet.

Maar hij gelooft:Er is iets zeer goeds aan het komen

De glorie van God zal op aarde getoond worden (Jes. 40: 5)

Johannes is als een bode met een bericht van vreugde,waarover Jesaja spreekt.

Het rijk van de hémel dat op áárde komtis een rijk dat vreugde brengt. 

Om in dat vreugdevolle rijk mee te doenlaten mensen zich dopen in de Jordaan. 

C.  Oproep tot omkeer

Dat rijk van de hemel op de aardezal met zich meebrengen 

dat mensen leven in verbondenheid met God

ze voelen God dichtbij 

en ze houden van hun kant rekening met God in alles wat ze doen,

ze zullen zich verantwoordelijk weten voor de mensen om hen heen. 

En de Messias die komt zal hun dit alles voorleven,laten zien in de praktijk.

Maar om zo te kunnen leven,zullen mensen zich ook aan moeten passen.

En daarom roept bij de Jordaan Johannes hen op:

Keer u om, draai bij, verander dingen in uw leven. 

En Johannes scherpt het aan: 

Het kan zijn dat u dingen moet verbranden in vuur,

dat u hardhandig afscheid moet nemen van wat u aangenaam vond om te doen. 

Om de verhouding tussen mensen in één huis beter te maken,

moét je soms met gewoonten breken, 

het kan zijn dat alleen radicaal afsnijden en in het vuur werpen werkt, 

omdat de verhoudingen met mensen die je lief zijn

nu eenmaal belangrijker zijn.

En ook om de verhouding met God te laten winnen aan diepgang

kan het zijn dat je dingen moet veranderen, 

tijd anders moet indelen, 

ruimte moet maken voor kerk, voor stilte, voor muziek, voor gebed

Vuur kan louterend en zuiverend werken. 

De gedachte kan soms opkomen,dat anderen maar eens met vuur gestraft zouden moeten worden,ik noemde dat in het begin,

en Johannes de Doper spreekt hier tot Farizeeërs en Sadduceeërs, 

maar de eerste vraag iswaar vuur goed zou zijn voor mij zelf,

wat er bij mij gereinigd moet worden,tot ons eigen welzijn.

D.  Vergelijking Johannes - Jezus

Johannes kondigt aanwat zal komen - een koninkrijk

en wie zal komen - de Messias.

Wanneer dan Jezus op gaat treden in het openbaar (4: 17) 

spreek hij exact dezelfde woorden als Johannes:

“Keer u om,want het koninkrijk van de hemel is gekomen.”

Dezelfde woorden,even eerbiedig over de hemel, maartoch ook met een verschil, 

want Johannes spreekt over een rijk dat aan het komen is,

en Jezus bevindt zich midden in dat rijk,is zelf het centrum van dat rijk. 

En ook wat betreft het vuur lijkt iets te verschuiven. 

Johannes zei dat wie na hem zou komen het kaf zou verbranden met onuitblusbaar vuur.

Maar Jezus ontsteekt geen vuur om iets of iemand te laten verbranden,

en laat geen vuur uit de hemel komen.

Geen inquisitie of iets dergelijks - God zij dank.

Jezus spreekt slechts figuurlijk over vuur (Joh. 15),

dat mensen in hun leven af moeten snijden wat verkeerd isen wat geen vrucht draagt

en dat dat in het vuur geworpen kan worden,

met als doel dat zij juist meer en betere vruchten voortbrengen.

Jezus roept mensen op, zoals Johannes,

spreekt over het verschil tussen goed en kwaad,Jezus oordeelt mensen, 

maar uiteindelijk veroordeelt hij niet anderen,maar wordt hij zelf veroordeeld.

Op een vreemde manier lijkt het vuur dat anderen zou moeten treffen

op hem zelf te recht te komen,het vuur slaat naar binnen. 

De Messias veroordeelt nietmaar lijdt zelf onder de zonden van anderen

zo blijft hij trouw aan zowel God als aan mensen

zo houdt hij God en mens verbonden,

zo geeft hij mensen leven en toekomst.

Wie na mij komt zal niet dopen met water, zoals ik, zegt Johannes,

maar zal dopen met heilige Geest en met vuur. 

Jezus zal komen met vuur,dat mensen aanzet om zichzelf te reinigen, 

maar hij zal ook geven vuur, dat gekoppeld is aan de heilige Geest.

Op Pinksteren schenkt hij de heilige Geest als vlammen van vuur.

En de Geest zal zijn als een vuur,

dat niet verbrandtmaar verwarmten dat mensen enthousiast maakt

Het vuur van de Geest verbrandt niet ánderen ineens

maar werkt langzaam in mensen zélf,

gaat met hen een lánge weg, om hen innerlijk om te vormen. 

De Geest verwarmt als een brandend vuur,

brengt de vreugde terug waarover Jesaja sprak,

de vreugde van het rijk van de hemel voor de aarde.

E.  Je instellen op de nabijheid van het Koninkrijk

Johannes de Doper stelt zich in op een nieuwe verhouding 

tussen God en mensenen tussen mensen onderling,

een nieuw rijk,uit de hemel gekomen naar de aarde. 

Het rijk komt, is vlak bij, maar het ligt buiten zijn vermogen om het precies te kunnen weten. 

Hij laat ruimte voor wie na hem komt, om te handelen met hemelse wijsheid.

Johannes vermoédt dat er iets nodig zal zijn met vuur 

om het oude achter te laten 

en toegang te krijgen tot het nieuwe rijk.

Het is goed, als wij met Johannes de Doper, 

ruimte laten voor het komen van Christus en de Geest,

dat wij dat niet willen vast leggen of weten,maar dat wij open staan om te ontvangen

Dat rijk dat komt uit de hemel voor de aarde

brengt met zich mee vuur, dat zuivert en mensen innerlijk warm maakt; 

en het brengt vóór al het andere een bepaalde sfeer, een gevoel, mee,

van de bode op de heuvel in Jesaja die met vreugde de komst van God aankondigt, een nieuwe tijd. 

Die sfeer van vreugde is er voor ieder die als bodegericht is 

op het komen van het rijk van God

voor Johannes de Doper

voor ons

Amen.

 


 

Preek 20 november 2016, gedenken van overledenen

 

Bijbeltekst: Genesis 50: 22-26  

A. Hoe verder gaan na het sterven?

Het sterven van iemand: maakt een einde van een mensenleven;

de dag van het begraven of cremeren: laat dat einde publiek zien.

En hoe gaan we vanuit dat einde verder?

In de eerste bijbellezing van vandaag: sterft Jozef.

Zijn leven gaat ten einde.

Maar wordt er ook al iets aangeduid hoe de broers van Jozef en zijn kinderen verder kunnen?

B. Terugblik op het leven van Jozef

Als het sterven van Jozef nadert, roept hij zijn broers bij zich.

Zij komen rond zijn sterfbed staan.

Wat heeft hij met hen wel niet meegemaakt?

Als jongen had Jozef triomfantelijk zijn dromen verteld aan zijn broers:

dat hun korenschoven zich zouden buiten voor zijn korenschoof.

De broers hadden er wel raad mee geweten: ze hadden Jozef eerst in een put gegooid,

onder het aardoppervlak, als begroeven ze hem toen al.

Daarna hadden ze hem als slaaf verkocht naar Egypte.

Daar klom Jozef eerst op in het huis van zijn meester Potifar.

Maar hij werd tenslotte in een gevangenis gegooid,

die Jozef zelf aanduidde als een nieuwe put, een onderaardse kerker.

Maar omdat hij iets met dromen had en die kon uitleggen,

werd hij later geroepen bij de farao van Egypte om díens droom uit te leggen.

Jozef was al meerdere keren gestorven:

in de put, in de slavenkaravaan, in de gevangenis.

Jozef wist wat sterven was,

hij had ook ervaren wat opstanding was:

nieuwe kansen, uit de dood vandaan; ongedacht, toch gekomen.

Jozef had in Egypte zijn broers graan kunnen geven,

toen zij honger leden in Kanaän en voor hen de dood dichterbij kwam.

Jozef redde hen toen van de dood.

Na nieuwe twisten tussen Jozef en zijn broers in Egypte, waren ze uiteindelijk elkaar

in de armen gevallen.

Ze hadden geleerd wat de familieband voor hen betekende,

hoeveel ze aan elkaar hadden, hoeveel ze gemeenschappelijk hadden.

Deze broers staan aan het sterfbed van Jozef.

En wat kon Jozef meegeven aan zijn kinderen en kleinkinderen en achterkleinkinderen?

Jozef kon vele fouten van zichzelf vertellen, wegen die doodlopen.

Jozef kon vertellen over de waarden van het leven, wat hij samen met zijn broers had geleerd.

Hij kon ook vertellen over een wonderlijke leiding van God

door al zijn eigen goede en slechte dingen heen,

over zijn eerdere opstandingen uit de dood,

die vertrouwen wekten voor dit laatste aanstaande sterven.

Dan sterft Jozef inderdaad.

Hij wordt, zoals in Egypte gebruikelijk bij iemand met een hoge positie,

gebalsemd, en daarna gelegd in een kist.

De bijbeltekst noteert een detail: Jozef was een ‘zoon’ van 110 jaar.

Niet een oude man, maar ‘een zoon’, alsof hij nog steeds de trekken in zich had

van die jongen van 17 jaar met zijn dromen.

In een kist wordt hij gelegd,

Maar de kist wordt niet gezet in een graf of onder in een piramide geplaatst.

De kist blijft staan, wordt ergens in een hal op een mooie plaats gezet,

wachtend op iets wat nog komen moet.

C.   De blik naar voren

Want in de laatste dagen van zijn leven

had Jozef nog enkele woorden tot zijn broers en kinderen gesproken,

woorden die voor hem van groot belang waren.

Jozef had hun gezegd, dat zij nu dan wel in Egypte woonden,

waar ze het vrij goed hadden, waar voldoende voedsel was.

Maar hij had hen eraan herinnerd, dat de toekomst van hun nageslacht toch ergens anders zou zijn, in het land van hun familie, in Kanaän.

Hij had hen, met profetische blik, toegezegd: “God zal zeker naar jullie omzien

jullie zúllen weg kunnen gaan uit Egypte, en opgaan naar Kanaän.”

In Kanaän zouden ze gaan in de sporen van hun voorgeslacht, van Abraham, Isaák en Jakob,

daar zouden ze vorm gaan geven aan een gezamenlijk leven

vanuit de voorschriften van de God van hun voorouders.

Jozef had hun gevraagd: Wanneer jullie of jullie nakomelingen gaan,

laat ze dan mijn beenderen meenemen, en mij begraven in Kanaän, waar ik vandaan kom.

En in het boek Exodus wordt daadwerkelijk verteld, dat bij de uittocht uit Egypte

de beenderen van Jozef meegenomen worden, Ex. 13.

En in de laatste verzen van het boek Jozua, na de intocht in het land,

wordt beschreven hoe de beenderen van Jozef begraven worden in Sichem,

daar waar hij eens met zijn broers samen was.

De kist met het lichaam van Jozef zal door zijn kinderen of kleinkinderen of achter-kleinkinderen Egypte uitgedragen worden, door de woestijn heen.

Het volk Israël zal dan nog een ándere kist dragen,

de kist met stenen tafels met daarop 10 woorden.

In het Hebreeuws wordt daarvoor in beide gevallen hetzelfde woord gebruikt.

De nakomelingen van Jozef zullen de kist met hun voorvader dragen

én ze zullen de kist, of ark, met de 10 woorden dragen.

Anders gezegd: ze zullen het lichaam van Jozef meenemen,

zijn levensverhaal, dat verleden dat hun gevormd heeft.

En ze dragen de ark met vaste geloofswoorden die de richting wijzen naar de toekomst.

Dit bijbelverhaal zegt ons iets, hoe wij verder kunnen gaan na de dood van onze geliefden.

Wij zijn beïnvloed, gevormd door degenen die we moesten loslaten,

als vader, moeder, zus, broer, als medegelovige.

Wij moeten na hun dood verder.

We komen in andere omstandigheden, we trekken door ander gebied.

Maar als we verder trekken, laten we de overledenen niet achter.

We nemen voorwerpen mee die ons aan hen herinneren:

een urn, foto’s, wat de overledenen heeft verzamelend, wat we samen hebben gekocht,

wat zij of hij heeft gemaakt.

Allerlei dingen in huis herinneren ons aan hen.

Daarmee dragen we hen zelf met ons mee, in onze gedachten, in ons hart.

We dragen mee: hun fouten, waarvoor wij dus gewaarschuwd zijn.

We dragen mee wat zij ons hebben laten zien aan dingen die het leven waarde geven.

En naast hun ervaringen zijn er de bredere woorden van het geloof om ons richting te geven,

zodat we niet verdwalen in de wereld waarin we leven.

Jozef heeft in de laatste dagen nog een laatste ding gezegd, met nadruk.

“Als ik er niet meer ben, zal God er wél zijn bij jullie,

al moet ik het af laten weten, God zal niet wijken van jullie,

hij zal naar jullie omzien, hij zal komen en jullie opzoeken.”

Dat ‘hij zal naar jullie omzien’ zegt Jozef tot 4 x toe,

opdat zijn kinderen en wie na hen komen dat vooral niet zullen vergeten.

We moeten mensen afstaan aan de dood.

Maar we dragen hen met ons mee op onze verdere levensreis,

zoals we ook de woorden van de kerk met ons meedragen als houvast.

Maar ook God zelf zal als de Levende met ons mee optrekken,

ons terzijde staan bij waar we op stuiten in het landschap van ons leven.  

Hij zal ons de weg wijzen naar goed land.

In dankbaarheid om wat wij van wie voor ons waren ontvingen,

kunnen wij de blik opslaan naar voren,

in verwachting van wat God ons zal geven.

Amen.