Preek 29 januari 2017, 4e zondag na Epifanie

Bijbeltekst: Mattheüs 4: 12-22

A. In het donker bij de zee verschijnt het Licht [Epifanie] (vs. 12-16)

Aan de noodwestelijke oever van het meer van Galilea, in Kafarnaüm, vestigt Jezus zich.

Nadat hij eerder bij Johannes de Doper bij de rivier de Jordaan was geweest en daar was gedoopt.

Mattheüs vindt dat gebied rond het meer terug in de profeet Jesaja en citeert daaruit:

Het volk dat in duisternis gezeten is: zal een groot licht zien,

want, zo loopt de tekst in Jesaja door,

een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven.

U hoort, dit is de tekst uit Jesaja, die vaak in de Kerstnacht gelezen wordt: een kind ons geboren, een zoon ons gegeven.

Vanaf die geboorte, Kerst, is een licht gaan schijnen.

In de tijd van Epifanie is het duidelijker tot openbaring gekomen.  

En nu, eind januari, gaat er in de lezingen daadwerkelijk licht vallen

op eerste mensen aan dat meer van Galilea.

Het licht gaat schijnen, maar was het dan zo donker rond het meer van Galilea?

Is het overdrijving?

Maar we weten: mensen kunnen zicht op de weg vóór hen uit verliezen,

te veel onduidelijkheden, te veel dingen die zich ongevraagd opdringen,

een nevel omgeeft hen.

Mensen kunnen het zicht op God kwijt raken, te veel raadsels in het leven, te veel donkere wolken die het zicht op de zon afschermen.

En met het oog op zulke omstandigheden schrijft Mattheüs:

Iemand verschijnt die licht brengt,

zodat helder zicht weer mogelijk wordt.

In Kafarnaüm werken vier vissers, Simon en Andreas,

en een stukje verder Jakobus en Johannes.

Ze werken op het meer.

Of preciezer: op de zee, zoals Mattheüs consequent schrijft.

Dat water in Galilea heeft de grootte van een meer,

maar voor Mattheüs roept het de herinnering op aan de zee van het Eerste Testament:

de Rietzee waar de Israëlieten maar nauwelijks door konden ontsnappen uit Egypte,

de Middellandse of Grote Zee, waar de profeet Jona op terecht kwam.

De zee is in de Bijbel beeld van onberekenbare omstandigheden,

waar wind en golven woest te keer kunnen gaan, waar je in kunt verdrinken.

De zee kan ook beeld van de grote zee van volken zijn

waar het kleine Israël met zijn eigen verhaal: in kan ondergaan.

Mattheüs zal niet voor niets later in zijn evangelie vertellen

over een storm op het meer van Galilea, waarin de leerlingen vrezen te zullen verdrinken.

De vissers werken dus op de zee.

Daar vinden zij hun levensonderhoud. Daar zijn ook de gevaren.

Hun thuisbasis is Kafarnaüm, op de grens van land en zee,

de wankele grens van veiligheid en gevaar,

de grens van het bekende en het onbekende.

Naar dat grensgebied,

met die donkerheid voor mensen en die chaotische krachten buiten hen,

met de onoverzichtelijkheid in eigen leven en de onzekerheden

om hen heen

komt het Licht.

Jezus verschijnt.

B. Roeping (vs. 17-18, 21)

De vier vissers horen van bekenden, dat er iemand langs het meer trekt,

een nieuwe rabbi, die stelt

dat het Koninkrijk van de hemelen niet ver weg hoeft te blijven,

dat het vlakbij is gekomen, onder handbereik,

dat de hemel de aarde aan kan raken,

als mensen zich openstellen.

De vissers horen, dat in dat Koninkrijk,

mensen zich verbonden weten met elkaar

als lotgenoten bij alle bedreigingen in het leven,

maar ook als kinderen van God die leven van een zelfde genade,

dat zij daar daarom als bondgenoten zich in zullen zetten

voor elkaar om hun samenleven te bewaren.

Mensen zullen niet meer tegenover elkaar als concurrenten

of naast elkaar staan, onverschillig,

maar toegewend naar elkaar als mensen die bij elkaar horen.

De vier vissers horen niet alleen van anderen over Jezus.

Hij komt ook hun kant op, komt aan hen voorbij

En hij spreekt hen aan, roept hen om met hem mee te trekken.

Ze beseffen: Deze leidsman wil niet alleen alles zelf beslissen en uitvoeren.

Hij wil graag mensen bij zich, als medestanders,

die met hun ervaring en kennis

hun rol kunnen spelen in het groepje, in de beweging rond Jezus.

Hier met deze eerste vier leerlingen begint iets te ontstaan dat lijkt op een mini-kerk.

De vier vissers weten zich gewaardeerd, gekend.

Ze zullen elk op eigen wijze behulpzaam kunnen zijn

bij de verhalen die Jezus wil vertellen in het land,

bij zijn genezende handelingen aan wie lijden.

De vissers zullen elk op eigen manier Jezus dienen.

C. Taken (vs. 19)

De taken die de vissers krijgen in het gezelschap van Jezus

liggen dan ook in het verlengde van wat zij al deden.

“Ik zal jullie vissers van mensen maken” - zegt hij hun toe.

Ze worden nu een ander soort vissers.

Ze zullen mensen omhoog halen uit de diepten die hen omgeven, het daglicht tegemoet.

Ze zullen aandacht moeten hebben voor de winden en de golven,

de chaos, krachten van buitenaf, uit de samenleving, in hun eigen leven,

die mensen soms tot een speelbal maken;

zoals ze al wisten van de onberekenbaarheid en wind en golven op het meer.

De volgelingen van Jezus zullen geduld moeten hebben,

of mensen in deze nieuwe beschermende vangnetten opgevangen willen worden,

zodat ze hen niet met geweld naar zich toe trekken - voor hun eigen belang,

maar pas als mensen zelf het net als bescherming gaan zien.

Ze zullen de gaten in de nieuwe netten dichten, zodat mensen niet zomaar, tegen hun wil, weer wegglijden in de diepten;

zoals ze eerder de netten van hun schepen boetten aan de kant v/h meer.

De beeldspraak verandert.

Eerst vingen de vissers vis opdat hun familie zou leven.

Nu vangen zij mensen opdat deze aan de oppervlakte het hoofd boven water kunnen houden, boven de chaos uit

en aan land kunnen komen en leven op Gods goede aarde.

De beeldspraak verandert, de technieken blijven dezelfde.

Hun oude werk wordt op een hoger plan gebracht.

Als de vissers zelf hebben ervaren hoe nabij het Koninkrijk is,

hoe zij zelf gezien zijn, geroepen en gered,

dan zullen zij nu anderen redden uit de chaotische zee van het leven,

hen laten delen in de nabijheid van dat Koninkrijk.

D. Volgen (vs. 20, 22)

De vissers horen de uitnodiging van Jezus,

laten hun werk, hun boot, hun vader, achter, en volgen Jezus.

Ze doen dat ‘meteen’, direct, terstond.

Het woordje ‘meteen’, dat er twee keer staat, geeft het fundamentele aan van de keus

die de vissers maken.

Wat en wie ze achterlaten zijn niet onbelangrijk geworden,

maar het Koninkrijk dat nabij is gekomen, gaat voor.

Juist in dat Koninkrijk zullen alle eerdere relaties

opnieuw hun plaats krijgen, maar in een nieuw licht.

Ze zullen aan diepgang winnen.

Wat de vissers vooralsnog gaan doen, geeft Mattheüs

bij de 2 x 2 broers in beide gevallen weer: met het woord ‘volgen’.

Dat kun je nog het duidelijkste letterlijk opvatten.

Jezus gaat voorop.

De vier vissers, die leerlingen zijn geworden, gaan achter hun meester aan.

Hij bepaalt voor hen de koers,

welk dorp ze in zullen gaan, tot welke mensen ze zich zullen wenden.

Op de plaatsen waar ze zullen komen zullen de vissers vooral waarnemers zijn, getuigen,

van de tekenen die Jezus doet,

de woorden die hij spreekt,

de liefde die hij laat zien.

Dat alles zullen ze op zich in laten werken.

En pas als ze genoeg hebben gezien,

als ze niet alleen Jezus uiterlijk hebben gevolgd,

maar hem ook innerlijk zijn gaan volgen,

zich zijn gedachten hebben eigen gemaakt,

dan zullen ze er zelf op uittrekken, om op te treden zoals Jezus heeft laten zien,

om de nabijheid van het Koninkrijk uit te beelden.

Een kerkelijke gemeente bestaat ook uit mensen die Jezus volgen, zijn volgelingen.

Dat betekent wéér: De richting van wat we doen:

laten bepalen door wat Jezus heeft gedaan.

De verhalen over Jezus gaan voorop

en in vertrouwen daarop volgen wij.

Wij gaan in het spoor van de voetafdrukken

die de verhalen over Jezus hebben nagelaten.

En soms, als we mensen ontmoeten binnen of buiten de kerk,

als we passende woorden proberen te spreken,

als we een plan trachten te smeden,

kan het voelen, of er al werkelijk iemand voor ons uit is gegaan,

of ons werk al is voorbereid, of het voornaamste reeds is gedaan,

en de puzzelstukjes vallen vanzelf in elkaar.

We volgden alleen maar,

de Geest van Jezus was al voor ons uit aan het werk.

Het Koninkrijk der hemelen is inderdaad vlakbij.

E. Het licht verder dragen (vs. 16) [vgl. A]

Een ster is gaan schijnen, het licht is geboren

en het is eerste mensen gaan beschijnen bij het meer van Galilea.

Het licht schijnt ook voor ons, spreekt ons aan [LB 601], beschijnt ons gezicht.

En als wij dat licht volgen, kunnen wij gaandeweg zelf kleine lichtjes worden,

om bij te staan wie in donker zijn, in diepte van zee, in chaos.

Door het geboren Licht komt de hemel nabij, vinden wij echt leven.

Gelukkig dat dít Licht bestaat.

Amen.