Preek 11 december 2016, 3e Adventszondag

Bijbeltekst: Jesaja 35

A. De weg naar Kerstmis / Sion

Wij begeven ons deze weken op weg naar het Kerstfeest.

Dat geldt in de kerkelijke gemeente, waar dingen worden voorbereid en neergezet:

adventskaarsen, een kerstboom,

waar uitnodigingskaartjes worden gemaakt, inkopen gedaan voor bijeenkomsten.

Maar ook in het persoonlijke leven zijn we op weg naar het Kerstfeest.

Kerstkaarten worden gekocht, een velletje postzegels erbij,

een planning wordt gemaakt, waar zijn we op Eerste of Tweede Kerstdag, en met wie.

Wat staat er al in huis, wat moet er bij komen.

Advent, tijd van voorbereiding, tijd van op weg zijn.

Deze periode kan een fijn gevoel geven, sfeervol.

Het kan soms ook druk worden: ik moet nog dit en dat.

Er kunnen ook scheuten van andere gedachten tussendoor komen: ik mis iets of iemand.

En waarnaar zijn we op weg?

Waar gaat het om in dat feest in de winter?

Om ontmoeting met mensen met wie u zich verbonden weet,

om ontmoeting met het kind van Kerstmis,

om bezinning?

Je zou af en toe tussen kaarsen en muziek en geregel

nog kunnen vergeten wat je hoopt te vinden op het Kerstfeest.

Wat doet de voorbereiding van het feest met je,

het brengt iets in beweging, je gaat dingen doen, voorbereiden,

er is een sfeer van feestelijkheid.

Is die feestelijkheid op één of andere manier te delen in je omgeving?

De bijbeltekst van vandaag uit de profeet Jesaja brengt een weg in beeld.

Die weg voert door de woestijn naar de berg Sion, de stad Jeruzalem,

plaats van de tempel, plek waar God te ontmoeten is.

En er zijn mensen die over die weg gaan.

B. Beginsituatie

Het is overigens niet duidelijk wie degenen zijn die zich op de weg bevinden.

Er worden geen historische omstandigheden genoemd.

Er staat niet bij: in het jaar van koning die en die.

Het lijkt te gaan over de ballingen die na de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs naar Babel waren gedeporteerd;

en die na 50 jaar in Babel gelegenheid krijgen om terug te keren naar Juda,

over de handelswegen die van oost naar west liepen.

Maar dat komt in het boek Jesaja pas aan de orde vanaf hoofdstuk 40.

Hier in hoofdstuk 35 wordt veel meer in het algemeen gezegd, los van plaats en tijd,

dat wie ver van huis terechtgekomen zijn, en ver van de voornaamste woonplaats van God,

de tocht terug naar huis kunnen aanvaarden, naar de heilige plaats,

naar de feestelijkheid van de ontmoeting met God.

Die mensen moeten wel eerst wakker gemaakt worden.

Ze worden omschreven als doof en blind,

niet letterlijk,

maar ze hebben in hun oren niet meer de woorden over God

en ze kunnen met hun ogen om hen heen geen tekenen van het werken van God zien.

Ze zijn te zeer afgeleid op de plaats waar zij in ballingschap wonen.

Er zijn te veel andere dingen om hen heen te horen en te zien.

Hun oren zijn doof en suf getoeterd, hun ogen verblind.

Waar te midden van de drukte en het rumoer in de steden

in den vreemde zullen ze tekenen van God ontwaren?

De beschrijvingen van Jesaja zijn herkenbaar in onze tijd.

Het geluid, de informatie, de beelden: zijn alleen maar toegenomen.

Om je op God te richten moet je misschien af en toe je ogen sluiten, juist om te kunnen zien,

moet je het geluid van buiten: ook buiten houden, juist om te kunnen horen.

De Adventstijd is ook een tijd van bezinning:

waar ging het ook al weer om in het leven, waar kan ik me op richten.

Jesaja roept de mensen daarom op:

Maakt de knikkende knieën stevig, maakt de slappe handen sterk,

neemt je iets voor, richt je op iets anders dan wat je om je heen hoort en ziet,

iets van een andere orde, dat je al bijna vergeten was,

ga, op dé weg, naar Sion.

C. Belevenissen op de heilige weg

In het beeld van Jesaja, dat niet-historische plaatje, dat visioen,

gaan de mensen, die op reis gaan, niet over een bestaande handelsweg.

Het is een andere weg, die wordt genoemd ‘de heilige weg’,

en die wordt aangeduid als een brede weg, met plaats voor velen,

waar een leger zich over een verplaatsen, een heerbaan,

in een Engelse vertaling zag ik staan een ‘highway’.

Het is een weg door God of de engelen aangelegd voor de gelovigen.

En alleen wie zich rein maken, zullen over die weg gaan, schrijft Jesaja.

Want alleen wie God wil ontmoeten in zíjn woonplaats zal op weg gaan.

Anderen blijven rustig daar, waar al genoeg te horen en te zien is.

En wie op weg gaat, op pelgrimstocht, moet ook dingen achter laten,

kan niet alles mee nemen, die moet keuzes maken.

Daar zit een element van reiniging in.

En dan onderweg, gebeurt er iets met de reizigers.

Als zij zich instellen op de ontmoeting later met God in Sion,

als ze hun gedachten daar op richten, als ze zich innerlijk voorbereiden,

dan komt er van alles in beweging in hen.

Jesaja schrijft:

Wie eerst moeizaam vooruit kwam, verlamd, lam, gaat springen als een hert.

Wie eerst weinig zei, stom geworden, door wat ze meegemaakt hadden, ingekeerd in zichzelf,

wordt enthousiast, en de stomme zal jubelen,

niet slechts gaan spreken, maar een laag hoger, jubelen.

Dat is ook een vraag voor ons in de Adventstijd.

Die tijd brengt ons in beweging

doordat we allerlei dingen moeten doen in kerk en huishouden.

Maar kan de Adventstijd ons ook geestelijk in beweging brengen

als we voorbereidend mediteren over het wonder van het Kerstfeest,

dat de hemel de aarde raakt,

dat een kind al alles van de hemel in zich kan hebben,

dat de woorden van God menselijke gestalte aannemen, vlees en bloed,

dat het ware menselijke leven voor ons uitgebeeld wordt.

D. De omgeving

De weg naar de tempel, woonplaats van God, voert niet door liefelijk, aangenaam landschap.

De weg loopt door droge gebieden die worden aangeduid

als woestijn, dorre streken, een steppe.

Weer kun je denken aan een weg vanuit Babel in het oosten

naar Jeruzalem in het westen door de Syrische woestijn,

maar zoals gezegd, Jesaja noemt Babel niet als vertrekpunt, het is algemener bedoeld.

Waar mensen zich losmaken van de bestaande samenleving,

daar op een bepaalde manier afstand van nemen, eigen keuzes maken

en zich richten op de plaats, het gebeuren, waar God te ontmoeten zal zijn,

daar voert die weg door onherbergzame streken.

Dat is een weg alleen gaan, of met weinigen,

niet begrepen worden, vreemd aangekeken worden.

De weg is lang om God te vinden.

Er is moed nodig, maak de knikkende knieën stevig, schreef Jesaja.

Het kost tijd, er is geduld nodig, volharding, inoefening,

om je beetje bij beetje af te stemmen op de wereld van God.

In de lezing uit de brief van Jakobus worden dat geduld en die volharding benadrukt.

Maar onderweg gebeurt er iets, niet alleen met de reizigers,

de stommen die jubelen, de lammen die springen,

maar de omgeving verandert.

De woestijn en dorre vlakten en de steppe, aan weerszijden van de weg,

lijken de gedachten en de vreugde van de mensen op de weg aan te voelen

en zíj tonen hun blijdschap.

Bloemen schieten omhoog, in het zand ontstaan bronnen,

waterbeken slingeren zich door het eerdere droge gebied.

De natuur deelt in de feestelijkheid van de pelgrims.

Is dat alleen maar dichterlijke overdrijving, of profetische overdrijving?

Maar het komt vaker voor in de Bijbel,

dat de natuur vanzelf deelt, wanneer mensen heil ontvangen.

Door wie schieten die bloemen op?

Zorgen de mensen op de weg daarvoor - niet bewust lijkt het;

gebeurt het vanzelf, toevallig - dat is ook niet waarschijnlijk;

is de hemel in het spel - daar lijkt het meer op.

De mensen op de weg bereiden zich voor op wat hen wacht in Sion.

Zij leven daar naar toe, worden enthousiast, stemmen zich al af op God.

En als gevolg, of als antwoord van boven af,

stralen zij iets uit naar weerszijden van de weg.

Zij maken de wereld mooier.

Een strook van groen rondom de weg laat als versiering aan wie op grotere afstand is

zien hoe je kunt komen op de plek waar de God van hemel en aarde te vinden is.

De bloemen die in de woestijn opschieten zijn trouwens een verhaal apart.

De meeste vertalingen noemen een soort van krokus, of ook wel een narcis.

Oudere vertalingen spreken over een roos, zo ook LB 501,

en in een roos kunnen dan weer allerlei middeleeuwse en huidige gedachten meeklinken over de roos als symbool van liefde.

De NBV heeft een lelie, waarbij een witte lelie heeft de symboliek

van zuiverheid met zich meebrengt.

Hoe dan ook, de schepping langs de weg, deelt in de beleving van

de mensen op de weg naar Sion.

En wie er roos of lelie wil lezen, kan er nog meer in horen.

 

Jesaja houdt ons dit beeld voor:

Een weg die leidt naar de ontmoetingsplek met God, de dag van het feest.

En wij worden genodigd die weg, die heilige weg, te betreden.

En door wat wij op die weg ervaren, wat het naderend feest ons te zeggen heeft,

kan misschien ook iets van de vreugde, de feestelijkheid,

invloed hebben op onze omgeving,

onbewust, door ons heen of lang ons heen;

invloed in het huis waar wij wonen, de mensen die wij ontmoeten;

opdat niet alleen wij zelf

maar de schepping in bredere zin gevoelig wordt

voor het bijzondere van het feest dat wacht.

Amen.