Artikelindex

EEN EXTRA REISGENOOT

De vakantietijd is een periode om de gedachten te richten op andere dingen dan in de rest van het jaar. Levensvragen die andere maanden achterwege blijven, omdat er geen tijd voor is, doen zich zo maar voor bij een glaasje in de avond. De horizon wordt ook al verbreed door het komen in een andere omgeving. Het blijkt dat je toch soms eerst fysiek afstand moet nemen van de eigen omgeving, voordat je ook figuurlijk afstand kunt nemen van de dagelijkse dingen en er ruimte komt voor andere gedachten. Ook de ontmoeting met mensen op de vakantieplaats die u eerder niet kende, kan het horen van andere invalshoeken met zich meebrengen, die het eigen denken stimuleren.

En wie niet van huis gaat, kan toch door het horen van reisverhalen van familieleden, de geest sprongen laten maken naar nieuwe oorden, waardoor de gedachten in beweging worden gezet.

In de Bijbel wordt opvallend veel gereisd. Abraham trekt vanuit het oosten naar Kanaän, het volk Israël verlaat Egypte en zwoegt in de woestijn, mensen in Juda worden verbannen naar Babylonië, Jona gaat via een omweg naar Ninevé, Jezus trekt met zijn leerlingen van Galilea naar Jeruzalem, Paulus legt de afstand af van Jeruzalem naar Rome.

Deze reizen zijn soms vrijwillig, soms als opdracht, dan weer gedwongen. Steeds blijkt er tijdens zo’n reis iets geleerd te worden, worden inzichten in God en wereld verdiept.

In Lucas 24: 13-32 zijn twee leerlingen van Jezus onderweg van Jeruzalem naar het dorp Emmaüs. Ze hebben de drukke stad achter zich gelaten en vinden in de ruimte buiten de stad ook de innerlijke ruimte om te praten over wat ze de laatste tijd hebben meegemaakt, namelijk het sterven van Jezus.

Iemand die zij niet kennen, een andere reiziger op de weg, sluit zich bij hen aan. De vreemdeling stelt hun vragen over hun leven van de afgelopen tijd. In hun antwoord zijn de twee leerlingen openhartig. Ze zijn aan de ene kant diep teleurgesteld door de dood van Jezus. Ze zeggen anderzijds dat ze de hoge hoop hadden, dat Jezus verlossing zou brengen aan Israël (vs. 21). Maar die verlossing hebben zij uiteindelijk niet kunnen waarnemen.

Al pratend groeit er verbondenheid tussen de twee leerlingen en de onbekende. Aangekomen in Emmaüs vragen de leerlingen aan de vreemdeling om de maaltijd bij hen te gebruiken.

De twee leerlingen nodigen de andere reiziger uit, maar aan tafel vindt een omkering van rollen plaats. De vreemdeling deelt het brood uit en geeft het aan de leerlingen.

En zij doen een merkwaardige ontdekking. Dit gebaar kennen zij. Zo deelde Jezus ook!

Het zal toch niet dat… De vreemdeling beantwoordt hun onuitgesproken vragen niet, maar trekt weer verder. De leerlingen blijven achter, verbaasd, verward, uiteindelijk verheugd:

Zo kan Jezus als de Opgestane dus toch weer tussen mensen zijn!

In de vakantietijd kunnen vragen naar voren komen, waar eerder geen gelegenheid voor was. In een andere omgeving kan er soms ruimte komen om de zwaardere kanten van het leven uit te spreken, maar ook de hoop voor het leven onder woorden te brengen. En soms is het nog gemakkelijker om zulke meer gevoelige dingen uit te spreken naar iemand die u niet eerder kende, bij wie geen belemmeringen zijn door een bekend verleden.

Al lopend over de weg of zittend aan tafel kunnen zo maar mooie gesprekken ontstaan in de eigen bekende kring of met onbekenden. En na zo’n gesprek kunt later denken: dit was weldadig, “was ons hart niet brandende in ons?” (Lk. 24: 32). En de gedachte kan opkomen:

Waren wij alleen om de tafel, of was er in ons, naast ons, nog iemand, een extra reisgenoot, de Geest van de Levende Heer Jezus, die ons het goede in het leven gunt, die ons verder wil helpen?

A. Bruin