Artikelindex

MEDITATIE: DE WONDEN VAN DE 20e EEUW  

Eind april / begin mei wordt zowel herdacht dat 100 jaar geleden de massamoord op de Armeniërs begon (24 april 1915), als dat de Tweede Wereldoorlog 70 jaar geleden eindigde (mei 1945). De 20e eeuw heeft diepe wonden geslagen en de gevolgen werken nog steeds door voor wie de gebeurtenissen van toen meemaakten en voor wie van hen afstammen.

Vijftien jaar geleden was ik op vakantie in Armenië en bezocht ik het monument en het herdenkingscentrum in de hoofdstad Jerevan. Ik vond het een aangrijpende plek. In het herdenkingscentrum vertelden brieven van westerse diplomaten en foto’s uit de periode 1915-1918 het verhaal van de deportatie van Armeniërs uit Klein-Azië, de dodenmarsen naar de Syrische woestijn, moordpartijen onderweg, uithongering in de kampen in Syrië.

Minder bekend is dat in dezelfde tijd (1912-1925) ook andere christelijke groepen in Klein-Azië door de Ottomaanse (Turkse) overheid werden gedeporteerd met het welbewuste doel dat er zo min mogelijk van hen zouden overblijven. Het ging om Grieks-orthodoxen aan de Zwarte Zee-kust, en Syrisch-orthodoxen en Assyriërs (of: Nestorianen) in het oosten.

Alles bij elkaar waren er zo’n 2 ½ miljoen slachtoffers.

Paus Franciscus betitelde in april de moord op de Armeniërs treffend als ‘de eerste genocide’ van de 20e eeuw. De eerste, want er zouden er meer volgen.

De joodse Poolse jurist Raphael Lemkin bedacht in 1943 de term ‘genocide’. Hij had al jaren onderzoek gedaan naar de moord op de Armeniërs. Vlak na de Tweede Wereldoorlog zette hij zich in om genocide strafbaar te stellen. Volgens Lemkin was ‘genocide’ niet alleen het welbewust en planmatig vermoorden van mensen omdat ze tot een bepaald volk behoorden, maar ook het vernietigen van de gebouwen, cultuur, taal, de religie van een volk, zodat een volk in meerdere opzichten geen toekomst zou hebben.

Hoe komt het dat personen die een andere groep geen ruimte om te leven gunnen, de gelegenheid krijgen tot daadwerkelijke verdrijving en moord, en dat ze niet door mensen van hun eigen groep tot de orde worden geroepen? Aan het moorden gaat iets vooraf.

In het Ottomaanse Rijk waren christenen al eeuwen lang tweederangs burgers, met juridisch minder rechten. Ze werden geduld, maar niet meer dan dat. In Europa hadden joden in de loop van de tijd met moeite wel meer rechten gekregen, maar werden ze door de ‘gewone’ bevolking veelal beschouwd als een vreemd volk dat niet echt bij hun land hoorde.

Als een flink deel van de bevolking een bepaalde groep niet werkelijk accepteert en vindt dat ze hier eigenlijk niet horen te zijn, is er al een voedingsbodem waar extremistische politici gebruik van kunnen maken. De stap naar de praktijk van deportatie en uitroeiing is dan niet zo groot meer.

De eerste moord in de Bijbel, in Genesis 4, van Kaïn op Abel, begint ermee, dat Kaïn (letterlijk vertaald) zijn hoofd naar beneden keert (vs. 6). Hij wil niet meer omhoog zien naar God, en hij wil zijn broer niet meer in het gezicht zien. Waar je de medemens niet meer ziet als iemand met een gezicht, maar waar deze een ding wordt, een nummer, een getal, daar “ligt de zonde voor de deur op de loer” (Gen. 4: 7).

De wonden van de 20e eeuw zijn nog voelbaar. Voorwaarde voor genezing is erkenning van wat fout is gegaan, erkenning van schuld en medeplichtigheid (wat in Turkije t.a.v. de Armeniërs nog nauwelijks op gang is gekomen). De wonden zullen pas goed helen, als een volk leert om mensen, van welke bevolkingsgroep of religie ook, te aanvaarden als mens, in het gelaat te zien, hun verhaal te horen en hun hoop.

Een groep kan voor je gevoel vreemde gebruiken of overtuigingen hebben, maar onbetwistbare basis moet zijn dat mensen recht hebben op een plek onder de zon om te leven, dat ze bijbels gezien schepselen van God zijn en daarom toekomst hebben.

De Bijbel loopt uit op een open stad, waar mensen uit alle volken met hun schatten, hun tradities, welkom zijn (Openbaring 21: 26).

A. Bruin