Artikelindex

MEDITATIE: ZOALS EEN ZOMER OM DE DORPEN BLOEIT

De titel van deze meditatie is een regel uit een gedicht van de dichter Gerrit Achterberg (1905-1962). De dichtregel roept het beeld op van weilanden, het platteland met ver zicht, met op afstand een kerktoren en enige bebouwing. Het gaat om een warme zomerdag, de lucht trilt en wordt heiig, koeien en schapen staan loom in de wei, geuren stijgen op van het veld, de menselijke activiteit is traag geworden, er klinken weinig geluiden, fietsers bewegen zich door het landschap en voelen de warme wind.

Stilte en zonlicht hangen rond de dorpen en verbinden mensen, dieren en landschap met elkaar.

Tot nu toe, half juni, heeft de zomer zich dit jaar nog nauwelijks laten zien, maar wie weet wordt het beeld uit het gedicht alsnog werkelijkheid.

De dichtregel over de zomer is maar een deel van het gedicht ‘Bekering’ (verschenen in 1944 in de bundel Sintels). En in dat gedicht is er nogal wat gebeurd voordat het echt zomer kan worden:

Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,

tussen ons en de Vader; naar Uw Woord

mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,

wat er ook in ons leven is gebeurd.

Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,

het meest misdadige - en was verdoemd.

Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,

met die van mij. Nu is het stil geworden,

zoals een zomer om de dorpen bloeit.

En moeten ook de bloemen weer verdorren:

mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.

Uit Uwe hand ten tweede maal geboren,

schrijd ik U uit het donker tegemoet.

In het gedicht wordt melding gemaakt van iets misdadigs dat is gedaan, waardoor de ik-figuur helemaal geen recht meer heeft om te leven, laat staan genieten van de zomer.

Aangenomen wordt dat Achterberg zinspeelt op een heftige ruzie die hij in 1937 had met de vrouw bij wie hij een kamer huurde, en die zover escaleerde dat hij met een revolver op haar schoot. Zij overleed aan haar verwondingen en Achterberg verbleef als straf jarenlang in diverse instellingen.

De ik-figuur in het gedicht zoekt, na wat er gebeurd is, naar een nieuw begin.

En is God dan iemand die een mens vastpint op zijn fouten, zijn zonden? De persoon in het gedicht laat tot zich doordringen hoe Jezus over God heeft gesproken. Een nieuw beeld komt dan voor ogen: God is als een witte naam. God is een levende persoon, met een naam. En die naam is geheel wit, zuiver, vergevend, méér dan mensen zich voor kunnen stellen.

Niet uit eigen kracht, maar alleen door die witte naam weet de ik-figuur zich opnieuw geboren (couplet 3), tot nieuw leven gewekt, geroepen om het licht te ontvangen.

Zo breekt een zomer aan, die niet alleen bepaald wordt door de temperatuur en de

weersomstandigheden. Er is onverdiend hemels zonlicht rond de mensen en de schepping, er is bloei, tekenen van een liefdevolle God. En in stille dankbaarheid kan van dat licht genoten worden.

A. Bruin