Artikelindex

VOLEINDING

In de maand november wordt de blik in de kerk gericht op de toekomst, de ‘voleinding’,

het tot hun bestemming komen van mensen en de wereld. In de Bijbel zijn er de beelden

van de hemel, een nieuwe aarde, de stad van God. Maar hoe is dat voor te stellen?

Van 412 tot 426 schreef Aurelius Augustinus in de Romeinse provincie Africa, nu Tunesië, een beschouwing over de wereldgeschiedenis, de Stad van God (Latijn: De Civitate Dei).

Het is een uitvoerig werk (1200 pagina’s in de vertaling van Gerard Wijdeveld). Augustinus ziet de geschiedenis als een lange strijd tussen de stad van God en de stad van mensen, tussen goed en kwaad, tussen een leven naar de Geest en een leven naar het aardse vlees. God zet een spoor uit door de geschiedenis, van Adam af via Abel en Noach en verder. Maar vaak lijkt de stad van de mensen overheersend en triomfeert het brute geweld.

Aan het eind zal echter de stad van God zegevieren, daarvan is Augustinus overtuigd.

Hoe is die stad van God voor te stellen, vraagt Augustinus zich af aan het slot van zijn werk (boek XXII, hoofdstuk 29 en 30). Wat houdt het in als Paulus schrijft dat ‘God zal zijn

alles in allen’ (I Kor. 15: 28)? Augustinus stelt zijn lezers voor om het als volgt te zien:

“Het is aannemelijk, dat wij in de wereld van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde overal

in stralende klaarblijkelijkheid God zullen zien, de alomtegenwoordige.

God zal dan voor ons zo bekend en zo duidelijk aanwezig zijn,

dat Hij door ieder van ons met de geest in ieder van ons gezien zal worden,

dat Hij gezien zal worden door de één in de ander en door ieder in zichzelf,

en dat Hij gezien zal worden in alle schepselen die er dan zullen zijn,

waarheen ook de ogen van het geestelijke lichaam zich zullen richten.

Ook onze gedachten zullen voor elkaar openliggen.”

Hij vervolgt (hoofdstuk 30) met: “Wat zal er daar dan een groot geluk zijn,

daar waar geen kwaad meer zal zijn en geen goed meer verborgen zal blijven,

waar men zich vrij zal kunnen wijden aan het lofprijzen van God, die alles in allen zal zijn.”

De menselijke wil zal instemmen met die nieuwe wereld:

“De wil zal dan vrijer zijn, doordat hij bevrijd is van het genoegen in het zondigen,

zozeer zelfs dat hij een onverzettelijk genoegen heeft in het niet-zondigen.

Die vrije wil zal van alle kwaad bevrijd en van alle goed vervuld zijn,

ononderbroken genietend van de heerlijkheid der eeuwige vreugden.”

Augustinus ziet het eind van de geschiedenis al afgebeeld in de scheppingsweek in Genesis 1, met de belofte van uiteindelijke rust:

“Daar zal dan in waarheid de grote sabbat zijn, de sabbat zonder avond, waarop door

de Heer werd gewezen bij zijn eerste werkzaamheden aan de wereld, daar waar staat

‘En God rustte op de zevende dag uit van al zijn werken die Hij had geschapen’.

Dat zevende tijdperk zal onze sabbat zijn; en het einde daarvan zal geen avond zijn,

maar de dag des Heren, om zo te zeggen een eeuwigdurende achtste dag,

geheiligd door de verrijzenis van Christus, die de voorafbeelding is van de eeuwige rust,

niet alleen van de geest, maar ook van het lichaam.

Daar zullen wij rusten en zien, zullen wij zien en liefhebben,

zullen wij liefhebben en lofprijzen.

Dat is wat er op het einde zonder einde zal zijn. Want welk ander einde is er voor ons

dan het bereiken van dat koninkrijk, dat nooit een einde vindt?”

Zo besluit Augustinus zijn werk. De taal is veelzeggend. Augustinus stelt niet dat hij weet

hoe het is, als een theorie. Hij schrijft een soort poëzie. De toon is er één van verwachting, verwondering, dankbaarheid. De tekst heeft trekken van een loflied, een hymne.

Wat kunnen wij zeggen over de voleinding? Weinig met stelligheid. Maar de woorden van Augustinus zetten ons aan om met groot vertrouwen vooruit te kijken.

A. Bruin


HERFST

We gaan in oktober (verder) de herfst in. Dat kan als verlies voelen. De zomer is nu toch echt wel voorbij. Het is ’s ochtends en ’s avonds buiten kouder. Dikkere kleding is nodig.

Bladeren gaan van de bomen vallen. De herfst brengt vrijwel onontkoombaar een gevoel van vergankelijkheid met zich mee: de bladeren kleuren bruin en ook mensen worden ouder, verweren en verliezen aan sterkte.

Er is ook een andere kant aan de herfst. Bladeren die nog aan bomen hangen en gevallen bladeren in een bos of in een park kunnen prachtige kleuren hebben: dieprood, paars, geel, goud, koperkleurig, in allerlei variaties en combinaties.

Dagen in de herfst kunnen zacht zijn, met een lagere zon waarvan de stralen mooi invallen.

Het is dan aangenaam weer om buiten te zijn of te wandelen. Een mooi evenwicht voordat straks de kou van winter gaat komen. Voor veel mensen is het voorjaar het mooiste jaargetijde, maar ook de herfst kan zijn charme hebben.

De herfst is ook de tijd van de oogst. De kerkelijke ‘Dankdag voor gewas en arbeid’ valt niet voor niets in het najaar. In de herfst maak je de balans op: Wat heeft het land opgebracht?

En ook: wat heeft dit jaar tot nu toe mij gebracht, wat heb ik ontvangen, wat heb ik bereikt, wat is mislukt, wat waren teleurstellingen?

Als het voorjaar het seizoen is van het maken van plannen, is het najaar het seizoen van het evalueren, het stilstaan, dieper nadenken, mijmeren.

In de Bijbel wordt dat nadenken bevorderd. De vraag is niet alleen: wat heb ík gedaan, wat hebben wíj gedaan. Maar de relatie tot God wordt erbij betrokken. Psalm 103: 2 zegt: “Prijs (zegen) de Heer, mijn ziel, en vergeet niet alles wat Hij volbrengt.” De vraag wordt dan met nadruk: Wat heb ik dit jaar onverwacht, buiten mij zelf om, zomaar ontvangen, van bovenaf, wat heb ik geoogst wat ik zelf niet had gezaaid. En wat heb ik als opdracht van God ervaren om te gaan doen? Wil ik me die dingen te binnen brengen en ze in gedachten houden? Want het gedenken van wat God gedaan hééft schept de verwachting dat Hij er ook in de toekomst zal zijn, sprekend en handelend.

Er wordt in de Bijbel dan ook voorbij het seizoen van het moment gekeken. In Jesaja 40: 7-8 staat: “Het gras verdort, de bloem verwelkt, maar het woord van onze God houdt stand in eeuwigheid.” Daarmee worden de menselijke stemmingen bij het seizoen gerelativeerd.

De bladeren vallen wel, maar daartegen in blijft er het spreken van God tot mensen. We hoeven ons niet mee te laten zuigen in somberheid of neerslachtigheid. Een vertrouwde persoon blijft namelijk bij ons. God trotseert het verval in de natuur en blijft ons zoeken als het donkerder en kouder wordt. Zijn stem blijft dan tot ons klinken: vragend, bemoedigend, corrigerend, toezeggend.

Wandelend op een pad met bladeren in allerlei mooie herfstkleuren kan zo de gedachte opkomen aan het vele gevarieerde en mooie dat God reeds heeft gegeven. Het houdt ook de belofte in zich, dat God ook in de winterse tijd die nadert naast ons wil lopen om als een vriend al sprekend ons hart te verwarmen en ons te begeleiden.

A. Bruin


EEN NIEUW SEIZOEN

Aan het begin van het nieuwe kerkelijke seizoen 2015/2016 lijkt het me goed om te kijken waar we als kerkelijke gemeente staan. In november 2014 zijn de gereformeerde en hervormde kerken verenigd tot de ene Protestantse Gemeente Hoogkerk.

In de kerkenraad is afgelopen voorjaar diverse malen gepraat over de vraag: hoe kan de nieuwe gemeente verder vorm krijgen, welke accenten willen we leggen?

Ik noem hieronder een aantal voorlopige lijnen, die nog verder uitgewerkt moeten worden.

De kerkelijke gemeente wordt kleiner. Tegelijk is er de opdracht uit de Bijbel om verantwoor-delijkheid te tonen voor de omgeving waarin we leven. We willen kijken of we samen kunnen werken met andere organisaties in dorp en regio.

In dat kader is vorig jaar de inzameling voor de Voedselbank gestart en is een nieuwe vorm van samenwerking met de Anne Frankschool van de grond gekomen. A.s. Monumentendag in september is De Olle Kerk open voor bezoekers. De dag wordt georganiseerd in samenwerking met de Historische Vereniging.

Geloven heeft te maken met een inhoud (wat geloof ik) en ook met beleving (hoe beleef ik iets, waar word ik geraakt). De kleine werkgroep ‘Bezinning en bezieling’ ontwikkelt activiteiten op dit gebied: een gesprekskring over een pastorale onderwerp, een meditatieve wandeling, misschien een filmavond. Ook hier mikken we niet alleen op kerkleden, maar ook op een bredere groep mensen met een religieuze interesse.

Omdat te verwachten is dat de gemeente verder zal slinken (zoals vele andere kerkelijke gemeenten), zullen we naar de toekomst ook na moeten denken wat we als Protestantse Gemeente zelf kunnen uitvoeren, en wat we beter samen kunnen opzetten met omliggende gemeenten: de Protestantse Gemeente Groningen en de andere kerken in Hoogkerk.

We zullen in de activiteiten keuzes moeten maken. Soms zullen we iets willen voortzetten en moeten concluderen dat het niet lukt vanwege gebrek aan menskracht. Of we zien twee nieuwe mogelijkheden, maar weten dat we er maar één uit kunnen voeren, want we kunnen niet boven onze macht grijpen. We willen gespitst zijn op nieuwe activiteiten waar enthousiasme uit voort kan komen en die mensen kunnen verbinden. We zijn ook attent om ideeën op te vangen van de kerk uit de regio of van de landelijke kerk.

Er zijn dus diverse gedachten in de huidige kerkenraad voor de komende tijd. Per a.s. februari zijn echter van de 10 kerkenraadsleden (buiten de predikant) er 4 aftredend zijn en zij hebben aangegeven dat zij na jarenlange dienst nu niet meer zullen verlengen.

We zijn dus wel ideeën aan het uitwerken, maar er zijn voldoende mensen in de kerkenraad nodig om alles aan te sturen. Veel zaken kunnen ook gedaan worden door personen en werkgroepen buiten de kerkenraad, maar er is toch een bepaalde kern nodig om het geheel te dragen.

De huidige kerkenraadsleden zijn bezorgd, hoe (ja, of) het werk kan worden voortgezet, dus we zoeken de komende maanden ernstig enkele nieuwe kerkenraadsleden.

We zijn in een fase van de geschiedenis van onze gemeente, waarin we een aantal wissels om moeten zetten, dus we hebben behoefte aan mensen voor de nieuwe kerkenraad,

die: met geloof, met creativiteit, met energie en met geduld (een mix van deze dingen) de uitdaging aan willen gaan om mee te werken aan het bouwen van de toekomst.

Wilt u nadenken, wie volgens u geschikt zijn voor bepaalde taken, wilt u ook afwegen of u zelf een bijdrage zou kunnen leveren. Suggesties en informatie kunnen met de scriba’s uitgewisseld worden.

Een kerk is niet slechts mensenwerk, zij leeft van de inspiratie en zorg van de Geest van God, maar diezelfde Geest schenkt mensen ook talenten om die in te zetten voor de kerk.

A. Bruin


MEDITATIE: ZOALS EEN ZOMER OM DE DORPEN BLOEIT

De titel van deze meditatie is een regel uit een gedicht van de dichter Gerrit Achterberg (1905-1962). De dichtregel roept het beeld op van weilanden, het platteland met ver zicht, met op afstand een kerktoren en enige bebouwing. Het gaat om een warme zomerdag, de lucht trilt en wordt heiig, koeien en schapen staan loom in de wei, geuren stijgen op van het veld, de menselijke activiteit is traag geworden, er klinken weinig geluiden, fietsers bewegen zich door het landschap en voelen de warme wind.

Stilte en zonlicht hangen rond de dorpen en verbinden mensen, dieren en landschap met elkaar.

Tot nu toe, half juni, heeft de zomer zich dit jaar nog nauwelijks laten zien, maar wie weet wordt het beeld uit het gedicht alsnog werkelijkheid.

De dichtregel over de zomer is maar een deel van het gedicht ‘Bekering’ (verschenen in 1944 in de bundel Sintels). En in dat gedicht is er nogal wat gebeurd voordat het echt zomer kan worden:

Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,

tussen ons en de Vader; naar Uw Woord

mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,

wat er ook in ons leven is gebeurd.

Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,

het meest misdadige - en was verdoemd.

Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,

met die van mij. Nu is het stil geworden,

zoals een zomer om de dorpen bloeit.

En moeten ook de bloemen weer verdorren:

mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.

Uit Uwe hand ten tweede maal geboren,

schrijd ik U uit het donker tegemoet.

In het gedicht wordt melding gemaakt van iets misdadigs dat is gedaan, waardoor de ik-figuur helemaal geen recht meer heeft om te leven, laat staan genieten van de zomer.

Aangenomen wordt dat Achterberg zinspeelt op een heftige ruzie die hij in 1937 had met de vrouw bij wie hij een kamer huurde, en die zover escaleerde dat hij met een revolver op haar schoot. Zij overleed aan haar verwondingen en Achterberg verbleef als straf jarenlang in diverse instellingen.

De ik-figuur in het gedicht zoekt, na wat er gebeurd is, naar een nieuw begin.

En is God dan iemand die een mens vastpint op zijn fouten, zijn zonden? De persoon in het gedicht laat tot zich doordringen hoe Jezus over God heeft gesproken. Een nieuw beeld komt dan voor ogen: God is als een witte naam. God is een levende persoon, met een naam. En die naam is geheel wit, zuiver, vergevend, méér dan mensen zich voor kunnen stellen.

Niet uit eigen kracht, maar alleen door die witte naam weet de ik-figuur zich opnieuw geboren (couplet 3), tot nieuw leven gewekt, geroepen om het licht te ontvangen.

Zo breekt een zomer aan, die niet alleen bepaald wordt door de temperatuur en de

weersomstandigheden. Er is onverdiend hemels zonlicht rond de mensen en de schepping, er is bloei, tekenen van een liefdevolle God. En in stille dankbaarheid kan van dat licht genoten worden.

A. Bruin


MEDITATIE: DE WONDEN VAN DE 20e EEUW  

Eind april / begin mei wordt zowel herdacht dat 100 jaar geleden de massamoord op de Armeniërs begon (24 april 1915), als dat de Tweede Wereldoorlog 70 jaar geleden eindigde (mei 1945). De 20e eeuw heeft diepe wonden geslagen en de gevolgen werken nog steeds door voor wie de gebeurtenissen van toen meemaakten en voor wie van hen afstammen.

Vijftien jaar geleden was ik op vakantie in Armenië en bezocht ik het monument en het herdenkingscentrum in de hoofdstad Jerevan. Ik vond het een aangrijpende plek. In het herdenkingscentrum vertelden brieven van westerse diplomaten en foto’s uit de periode 1915-1918 het verhaal van de deportatie van Armeniërs uit Klein-Azië, de dodenmarsen naar de Syrische woestijn, moordpartijen onderweg, uithongering in de kampen in Syrië.

Minder bekend is dat in dezelfde tijd (1912-1925) ook andere christelijke groepen in Klein-Azië door de Ottomaanse (Turkse) overheid werden gedeporteerd met het welbewuste doel dat er zo min mogelijk van hen zouden overblijven. Het ging om Grieks-orthodoxen aan de Zwarte Zee-kust, en Syrisch-orthodoxen en Assyriërs (of: Nestorianen) in het oosten.

Alles bij elkaar waren er zo’n 2 ½ miljoen slachtoffers.

Paus Franciscus betitelde in april de moord op de Armeniërs treffend als ‘de eerste genocide’ van de 20e eeuw. De eerste, want er zouden er meer volgen.

De joodse Poolse jurist Raphael Lemkin bedacht in 1943 de term ‘genocide’. Hij had al jaren onderzoek gedaan naar de moord op de Armeniërs. Vlak na de Tweede Wereldoorlog zette hij zich in om genocide strafbaar te stellen. Volgens Lemkin was ‘genocide’ niet alleen het welbewust en planmatig vermoorden van mensen omdat ze tot een bepaald volk behoorden, maar ook het vernietigen van de gebouwen, cultuur, taal, de religie van een volk, zodat een volk in meerdere opzichten geen toekomst zou hebben.

Hoe komt het dat personen die een andere groep geen ruimte om te leven gunnen, de gelegenheid krijgen tot daadwerkelijke verdrijving en moord, en dat ze niet door mensen van hun eigen groep tot de orde worden geroepen? Aan het moorden gaat iets vooraf.

In het Ottomaanse Rijk waren christenen al eeuwen lang tweederangs burgers, met juridisch minder rechten. Ze werden geduld, maar niet meer dan dat. In Europa hadden joden in de loop van de tijd met moeite wel meer rechten gekregen, maar werden ze door de ‘gewone’ bevolking veelal beschouwd als een vreemd volk dat niet echt bij hun land hoorde.

Als een flink deel van de bevolking een bepaalde groep niet werkelijk accepteert en vindt dat ze hier eigenlijk niet horen te zijn, is er al een voedingsbodem waar extremistische politici gebruik van kunnen maken. De stap naar de praktijk van deportatie en uitroeiing is dan niet zo groot meer.

De eerste moord in de Bijbel, in Genesis 4, van Kaïn op Abel, begint ermee, dat Kaïn (letterlijk vertaald) zijn hoofd naar beneden keert (vs. 6). Hij wil niet meer omhoog zien naar God, en hij wil zijn broer niet meer in het gezicht zien. Waar je de medemens niet meer ziet als iemand met een gezicht, maar waar deze een ding wordt, een nummer, een getal, daar “ligt de zonde voor de deur op de loer” (Gen. 4: 7).

De wonden van de 20e eeuw zijn nog voelbaar. Voorwaarde voor genezing is erkenning van wat fout is gegaan, erkenning van schuld en medeplichtigheid (wat in Turkije t.a.v. de Armeniërs nog nauwelijks op gang is gekomen). De wonden zullen pas goed helen, als een volk leert om mensen, van welke bevolkingsgroep of religie ook, te aanvaarden als mens, in het gelaat te zien, hun verhaal te horen en hun hoop.

Een groep kan voor je gevoel vreemde gebruiken of overtuigingen hebben, maar onbetwistbare basis moet zijn dat mensen recht hebben op een plek onder de zon om te leven, dat ze bijbels gezien schepselen van God zijn en daarom toekomst hebben.

De Bijbel loopt uit op een open stad, waar mensen uit alle volken met hun schatten, hun tradities, welkom zijn (Openbaring 21: 26).

A. Bruin


MEDITATIE: HET KRUIS ALS SYMBOOL  

Het kruis is het meest bekende symbool van het christelijk geloof. Er zijn andere symbolen (b.v. duif, lam met kruisvaan), maar het kruis wordt toch het meeste gebruikt.

Dat is aan de ene kant begrijpelijk, omdat Jezus aan een kruis is gestorven. Maar aan de andere kant is het vreemd. Kruisiging was in het Romeinse Rijk namelijk een vorm van terechtstelling, die juist bij misdadigers werd toegepast. Een kruis was een martelwerktuig en kruisiging was een vernederende dood. Het ligt daarom niet voor de hand om dat afschrikwekkende symbool weer te gaan geven als een houten kruis in een kerkgebouw of als zilveren of gouden sieraad aan een halsketting.

In de eerste tijd van de kerk waren andere symbolen overheersend, maar rond het jaar 200 wordt het kruis al genoemd als hét symbool van christenen. Onder de eerste christelijke Romeinse keizer, Constantijn, begin 4e eeuw, werd het kruis snel populairder. Dat kwam ook doordat de moeder van Constantijn, Helena, in Jeruzalem het originele kruis van Christus ontdekte, zo werd haar tenminste verteld. Verder schafte Constantijn de kruisiging als straf af, waardoor een kruis een meer positieve klank kon krijgen.

Toch wordt in de Bijbel de kruisiging van Jezus wel degelijk verteld als een dieptepunt in de geschiedenis. Het verzet van mensen tegen God daarmee wordt scherp openbaar. Het kruis wordt teken van de menselijke schuld.

Pas door het bericht van de opstanding van Jezus wordt duidelijk, dat het kruis geen eindpunt was, maar een punt van doorgang. Jezus bleef trouw aan zijn missie tot het eind, tot in de diepte, tot in de dood. En God bleef bij hem, haalde hem door de dood heen, en Jezus verscheen op Paasmorgen als de nieuwe mens. Met terugwerkende kracht liet God zien dat het leven van Jezus het ware menselijke leven was geweest, en dat leven wordt vanaf Paasmorgen aan allen aangeboden, om daarin te delen.

Vanuit Pasen terugkijkend is het kruis geen teken meer van menselijke schuld, maar van verzoening met God, van verlossing en vrede. Dan wordt het kruis een positief symbool.

Een kruis kan afgebeeld worden met het lichaam van Jezus erop (crucifix). Dat bepaalt de toeschouwer bij het moment van de kruisiging. Het accentueert het lijden, en daarmee de trouw van Jezus.

Een kruis kan ook leeg afgebeeld worden. Dat laat ruimte voor verscheidene belevingen. Eén aspect van het lege kruis is het volgende: Jezus heeft wel gehangen aan het kruis, maar hij is daarna van het kruis gehaald, in een graf gelegd, en opgestaan. Het kruis was een noodzakelijk middel, maar het doel was het nieuwe leven van de opstanding. Een leeg kruis verwijst zodoende naar de opstanding

Een kruis is niet alleen een christelijk symbool. Het kan ook een algemenere betekenis hebben. Een kruis bestaat in eenvoudige vorm uit een verticale lijn en een horizontale lijn.

De verticale lijn verbindt boven en beneden, hemel en een stukje aardbodem, God en mens (en evt. hemel en onderwereld). De horizontale lijn strekt zich uit over de aarde en verbindt mensen op diverse plaatsen, in diverse landen, van diverse volken. Een kruis combineert die horizontale en verticale lijnen. Het verbindt mensen op het aardoppervlak met de hemel.

Het kruis van Jezus, de zoon van de Schepper, is dan te zien als hét moment dat aarde en hemel verbonden worden. Jezus strekt zijn handen naar buiten uit. Hij omarmt de aarde. En zijn lichaam wijst naar boven, naar de Vader, met wie hij zich verbonden blijft voelen tot het eind, de Vader die Jezus vast zal houden. Dít kruis verzoent hemel en aarde, brengt ze samen. En de opgestane Jezus Christus zal hemel en aarde verbonden hoúden.

A. Bruin


MEDITATIE: EEN MIDDELEEUWSE HEILIGE IN HOOGKERK  

In januari verzorgden we vanuit de kerkelijke gemeente een aantal bezoeken van kinderen van de Anne Frankschool aan De Olle Kerk. De kinderen kregen opdrachten in en om het kerkgebouw. Om de rondleiding goed te kunnen doen, was het nodig om informatie over de kerk te verzamelen. Ik keek boeken in met gegevens over het kerkgebouw: G.L. Smid, Kerk op de hoogte (2e druk 1980) en H./W. Plas, Religieus erfgoed in Groningen (2008). Ik kwam tegen dat de kerk, gebouwd ca. 1200-1220, oorspronkelijk waarschijnlijk was gewijd aan Maria en de heilige Ulrich, omdat beide namen voorkomen op de klok uit 1451. Nu zijn er vele kerken toegewijd aan Maria, maar wie mag Ulrich zijn, vroeg ik me af.

Ulrich blijkt te hebben geleefd van 890 tot 973 en hij was van 923 tot zijn dood bisschop van Augsburg, in Beieren, in het zuiden van Duitsland. Ulrich werd bisschop op nog maar 33-jarige leeftijd. Hij verbeterde de opleiding van geestelijken in zijn bisdom, hield zich bezig met de vormgeving van de liturgie, liet vervallen kerken en kloosters renoveren en liet ook nieuwe bouwen. Hij leefde sober en nam maatregelen om de armen te ondersteunen. Hij verdedigde verder de eigen rechten van kloosters tegen wereldlijke heersers.

Als bisschop had hij tevens een wereldlijke functie. In de 10e eeuw trokken Hongaarse stammen vanuit het oosten regelmatig plunderend door Duitsland. De Hongaren hadden nog geen vast woongebied en waren nog niet gekerstend.

Toen de Hongaren in 926 Augsburg bedreigden nam Ulrich het initiatief om de houten verdedigingswallen te vervangen door een stenen muur om de stad, zodat de stad beter te verdedigen was.

In augustus 955 verschenen de Hongaren opnieuw en ze belegerden Augsburg. Ze plunderden de omgeving en vernielden daar kerken. In de stad moedigde Ulrich, gezeten op zijn paard, de verdedigers aan en zij slaagden erin om de Hongaren buiten de muren te houden. Na aankomst van het leger van de Duitse koning Otto I werden de Hongaren vervolgens buiten de stad beslissend verslagen. Zij trokken zich terug naar het huidige Hongarije en in Duitsland brak eindelijk rust aan na tientallen jaren van invallen.

Vanaf 960 begon Ulrich zijn wereldlijke taken af te bouwen en legde hij in zijn werk in het bisdom nadruk op liturgie en pastoraat. In 972 wilde hij zijn bisschoppelijke taak helemaal opgeven en zich terugtrekken in een klooster, maar Otto I, inmiddels tot keizer gekroond, verbood dit. Ulrich overleed op 4 juli 973 dus in de functie van bisschop.

Ulrich werd al snel na zijn dood door de bevolking van Augsburg als een heilige beschouwd,

en werd in de 11e eeuw in de liturgie als geloofsgetuige opgenomen. Volgens een later geschrift werd hij in 993 officieel heilig verklaard door de paus, maar het is onduidelijk of dit juist is.  

Hoe is Ulrich nu in Hoogkerk terecht gekomen? Er zijn vele Ulrichkerken in Duitsland, ook wel in Oostenrijk en Zwitserland. Maar hoe loopt de lijn naar Hoogkerk? Zou het te maken hebben met de cisterciënzerabdij in Aduard, die in 1192 was gesticht, en met de kennis en internationale contacten die men daar had? Er is vermoedelijk invloed geweest vanuit Aduard op de bouw van kerken in de omgeving. Dat kan ook voor Hoogkerk gelden.

Dit zijn echter slechts vermoedens van mij. Ik weet het niet.    

Wat heeft Ulrich ons nu te zeggen? Ulrich wist in een chaotische tijd met innerlijke zwakte van het kerkelijk leven en van bedreigingen van buitenaf het moreel van mensen te versterken. Hij hervormde het kerkelijk leven en voelde zich ook verantwoordelijk voor zijn stad als geheel, voor kerk en wereld samen.

Ulrich - onbekend in Nederland, maar toch niet zo’n gekke heilige voor onze gemeente.

A. Bruin


MEDITATIE: ORIËNTATIE  

Een nieuw jaar zijn we een klein stukje ingetrokken. Hoe vind je daarin je weg? Proberen op goed geluk? Of is er een kompas om je te oriënteren, of een GPS-navigatiesysteem om te bepalen waar je je bevindt en welke hindernissen in het landschap te verwachten zijn?

Voor veel mensen in onze samenleving hebben vroegere richtingwijzers als religie, politieke overtuigingen of levensbeschouwing nog maar een beperkte of geen functie meer.

Als gevolg daarvan moet ieder zelf zijn weg zoeken. Maar dat is moeilijk, als er geen doelen in het leven meer zijn, als er geen hulpmiddelen zijn om duidelijk te bepalen wat juist is en wat niet. Persoonlijke tegenslagen en rampen in de samenleving komen des te harder aan, als er geen kader heeft om dat in op te vangen, als er geen besef is van méér is.

Christelijk geloof kun je zien als een geschiedenisverhaal. Het vertelt waar we vandaan komen en waar we heen mogen gaan. Het vertelt over de daden van God in het verleden, en wat we van Hem mogen verwachten in heden en toekomst. Er is een bestemming voor het persoonlijke leven en voor de wereld. Onderweg zijn er richtingwijzers om te bepalen wat goed en wat kwaad, zodat we niet verdwalen.

Aan tegenslagen zullen we niet ontkomen, maar ze zijn niet het laatste. Zoals Paulus zegt in II Korinthiërs 4: 8: “In van alles staan wij onder druk, maar we zijn niet in het nauw gebracht; we zijn om raad verlegen, maar niet radeloos; ter aarde geworpen, maar niet verloren.”

Er zijn oude schematische wereldkaarten waarin de toen bekende werelddelen zijn afgebeeld met in het centrum de stad Jeruzalem (hieronder van Heinrich Bünting, 16e eeuw).

Naamloos

We kunnen nu zeggen: dat was geen juiste voorstelling. Maar die kaarten vertellen nog iets anders: de wereldsamenleving heeft een hart. Vanuit de heilige stad Jeruzalem gaat de Torah uit voor de volken (Jesaja 2: 3). Als mensen zich daarop oriënteren zullen ze een goede levensweg vinden. Mogen wij in het nieuwe jaar bij dat kompas van de Torah leven! En mogen we hier en daar mensen om ons heen helpen om hun weg te vinden.

A. Bruin