Artikelindex

VOLEINDING

In de maand november wordt de blik in de kerk gericht op de toekomst, de ‘voleinding’,

het tot hun bestemming komen van mensen en de wereld. In de Bijbel zijn er de beelden

van de hemel, een nieuwe aarde, de stad van God. Maar hoe is dat voor te stellen?

Van 412 tot 426 schreef Aurelius Augustinus in de Romeinse provincie Africa, nu Tunesië, een beschouwing over de wereldgeschiedenis, de Stad van God (Latijn: De Civitate Dei).

Het is een uitvoerig werk (1200 pagina’s in de vertaling van Gerard Wijdeveld). Augustinus ziet de geschiedenis als een lange strijd tussen de stad van God en de stad van mensen, tussen goed en kwaad, tussen een leven naar de Geest en een leven naar het aardse vlees. God zet een spoor uit door de geschiedenis, van Adam af via Abel en Noach en verder. Maar vaak lijkt de stad van de mensen overheersend en triomfeert het brute geweld.

Aan het eind zal echter de stad van God zegevieren, daarvan is Augustinus overtuigd.

Hoe is die stad van God voor te stellen, vraagt Augustinus zich af aan het slot van zijn werk (boek XXII, hoofdstuk 29 en 30). Wat houdt het in als Paulus schrijft dat ‘God zal zijn

alles in allen’ (I Kor. 15: 28)? Augustinus stelt zijn lezers voor om het als volgt te zien:

“Het is aannemelijk, dat wij in de wereld van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde overal

in stralende klaarblijkelijkheid God zullen zien, de alomtegenwoordige.

God zal dan voor ons zo bekend en zo duidelijk aanwezig zijn,

dat Hij door ieder van ons met de geest in ieder van ons gezien zal worden,

dat Hij gezien zal worden door de één in de ander en door ieder in zichzelf,

en dat Hij gezien zal worden in alle schepselen die er dan zullen zijn,

waarheen ook de ogen van het geestelijke lichaam zich zullen richten.

Ook onze gedachten zullen voor elkaar openliggen.”

Hij vervolgt (hoofdstuk 30) met: “Wat zal er daar dan een groot geluk zijn,

daar waar geen kwaad meer zal zijn en geen goed meer verborgen zal blijven,

waar men zich vrij zal kunnen wijden aan het lofprijzen van God, die alles in allen zal zijn.”

De menselijke wil zal instemmen met die nieuwe wereld:

“De wil zal dan vrijer zijn, doordat hij bevrijd is van het genoegen in het zondigen,

zozeer zelfs dat hij een onverzettelijk genoegen heeft in het niet-zondigen.

Die vrije wil zal van alle kwaad bevrijd en van alle goed vervuld zijn,

ononderbroken genietend van de heerlijkheid der eeuwige vreugden.”

Augustinus ziet het eind van de geschiedenis al afgebeeld in de scheppingsweek in Genesis 1, met de belofte van uiteindelijke rust:

“Daar zal dan in waarheid de grote sabbat zijn, de sabbat zonder avond, waarop door

de Heer werd gewezen bij zijn eerste werkzaamheden aan de wereld, daar waar staat

‘En God rustte op de zevende dag uit van al zijn werken die Hij had geschapen’.

Dat zevende tijdperk zal onze sabbat zijn; en het einde daarvan zal geen avond zijn,

maar de dag des Heren, om zo te zeggen een eeuwigdurende achtste dag,

geheiligd door de verrijzenis van Christus, die de voorafbeelding is van de eeuwige rust,

niet alleen van de geest, maar ook van het lichaam.

Daar zullen wij rusten en zien, zullen wij zien en liefhebben,

zullen wij liefhebben en lofprijzen.

Dat is wat er op het einde zonder einde zal zijn. Want welk ander einde is er voor ons

dan het bereiken van dat koninkrijk, dat nooit een einde vindt?”

Zo besluit Augustinus zijn werk. De taal is veelzeggend. Augustinus stelt niet dat hij weet

hoe het is, als een theorie. Hij schrijft een soort poëzie. De toon is er één van verwachting, verwondering, dankbaarheid. De tekst heeft trekken van een loflied, een hymne.

Wat kunnen wij zeggen over de voleinding? Weinig met stelligheid. Maar de woorden van Augustinus zetten ons aan om met groot vertrouwen vooruit te kijken.

A. Bruin