Artikelindex

VOORDAT DE STEEN WERD AFGEWENTELD

In de vier Evangeliën komt aan het eind een gat voor. Jezus wordt op de avond van Goede Vrijdag in een rotsgraf gelegd. Als enkele vrouwen 1 ½ dag later op zondagochtend bij het graf gaan kijken, is de steen vóór het graf weg gewenteld. Er is het bericht dat Jezus is opgestaan, door een engel verteld. Vooral in het evangelie van Marcus is de verbijstering van de vrouwen zo groot, dat ze niets anders kunnen doen dan wegvluchten van het graf.

Er is 1 ½ dag stilte in de Evangeliën. In die tijd moet de opstanding van Jezus geschied zijn.

Uiteraard wekt dit de nieuwsgierigheid op. Wanneer is de opstanding gebeurd? En hoe heeft die plaats gehad? Wie rolde de steen weg, wie haalde de windsels van het lichaam? Waar is Jezus heen gegaan, naar de hemel? De vier Evangeliën houden halt en zwijgen.

In het ‘Evangelie van Petrus’, een apocrief geschrift uit ongeveer het jaar 150, wordt wél ingevuld hoe de opstanding plaats vond (vs. 31-44):

Pilatus stelde hun de centurio Petronius met soldaten ter beschikking om het graf te bewaken. Met hen mee kwamen oudsten en schriftgeleerden aan bij het graf.

En met de centurio en de soldaten rolden allen die daar waren samen een grote steen voort en zetten die voor de ingang van het graf.

Zij brachten zeven zegels aan, zetten een tent op en hielden de wacht.

In de vroegte, toen het licht werd op de sabbat (zaterdagochtend), kwam uit Jeruzalem en de omgeving een menigte aan om het verzegelde graf te gaan zien.

Maar in de nacht waarin de dag van de Heer op begon te lichten (zondag), toen de soldaten twee aan twee om beurten de wacht hielden, klonk er uit de hemel een groot geluid.

Zij zagen de hemelen geopend en twee mannen die met veel fonkeling daaruit neerdaalden en het graf naderden.

De steen die bij de ingang was gelegd rolde uit zichzelf weg en week naar de zijkant.

Het graf ging open en beide jongemannen gingen er binnen.

Toen de soldaten dat zagen, maakten ze de centurio en de oudsten wakker, want ook die waren bij de wacht aanwezig.

Terwijl zij vertelden wat ze hadden gezien, zagen zij drie mannen weer uit het graf komen.

De twee ondersteunden de ene, en een kruis volgde hen.

Het hoofd van de twee reikte tot aan de hemel, maar dat van hem die door hen bij de hand werd geleid, oversteeg de hemelen.

En ze hoorden een stem uit de hemelen zeggen: “heb je tot de ontslapenen (in de onder-wereld) gepredikt? En vanaf het kruis werd hoorbaar een ‘ja’ gehoord.

Samen besloten ze om heen te gaan en deze dingen te melden aan Pilatus.

Terwijl ze dat nog overlegden, zagen ze de hemelen opnieuw geopend

en een mens daalde neer en ging het graf binnen.

Hoe is dit te zien? Als vrome fantasie? Het gat in de bijbelse Evangeliën wordt ingevuld.

Er komen twee engelen, de steen rolt opzij, Jezus stijgt op naar de hemel, later neemt een volgende engel plaats in het graf om in de ochtend de vrouwen antwoord te kunnen geven.

Met deze aanvulling wordt de menselijke nieuwsgierigheid bevredigd, het verhaal wordt kloppend gemaakt, een verklaring wordt geboden.

Vanuit dit Evangelie van Petrus kijken we nog eens naar de bijbelse (of ‘canonieke’) Evangeliën. Daar is geen uitleg van de opstanding zelf te vinden. De verbijstering is te groot. Er is iets gebeurd dat met geen menselijke woorden is te bevatten of te beschrijven. Het gaat om een mysterie dat gevolgen heeft voor alles en allen in hemel en op aarde. De evangelie-schrijvers leggen eerbiedig hun pen neer. Hier past slechts zwijgen en aanbidding.

A. Bruin