Artikelindex

 

HEBBEN EN ZIJN

De dichter Ed. Hoornik (1910-1970) zet in het gedicht ‘Op school stonden ze…’ uit de bundel ‘Het menselijk bestaan’ (1952) twee werkwoorden naast elkaar: hebben en zijn.

Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.

In eerste instantie lijkt het verschil tussen ‘hebben’ en ‘zijn’ in het gedicht onschuldig.

Een herinnering van school wordt opgeroepen. Zo hebben we het geleerd:

Ik heb, jij hebt, hij heeft; en: ik ben, jij bent, zij is.

Maar gaandeweg wordt duidelijk dat je de twee werkwoorden kunt zien als twee houdingen om in het leven te staan: Wil iemand vooral ‘hebben’ of wil je ‘zijn’?

In onze samenleving is de houding breed aanwezig, dat je pas iemand bent, meetelt, als je bepaalde dingen hébt.

Je bent iemand als je het nieuwste product hebt, en van het gewaardeerde merk.

Je wordt ook iemand als je iets aparts hebt meegemaakt, en daarover kunt vertellen.

Je wordt iemand als je iets bijzonders hebt gepresteerd.

Eerst moét je allerlei dingen doen, moet je iets scoren, iets ‘hebben’, dán krijg je waarde als mens. Als mensen dat niet ‘hebben’ worden ze onrustig, voelen ze dat ze tekort schieten.

Zo jagen mensen elkaar op en lopen ze hijgend achter hun doelen aan.

Je zou ook een andere houding in het leven kunnen kiezen:

Ik ‘ben’ al iemand, gewoon omdat ik ben zoals ik ben, met mijn karakter, mijn uiterlijk.

Ik hoef niet te hebben wat een ander heeft, ik hoef niet te worden zoals een ander is.

Ik mag er zijn, met dat wat bij mij past. Ik wil er ook zijn voor een ander.

In de bijbelse verhalen komt naar voren, dat elk mens uniek is. Elk mens heeft een eigen geschiedenis. Een mens krijgt van God ruimte om te leven, hij/zij mag er zijn. Dat voelt genadig aan, dat geeft rust.

In het laatste couplet van het gedicht wendt het ‘zijn’ zich af van het ‘hebben’ van volwas-senen en wordt het weer als een kind. Het ‘zijn’ wordt gevoelig voor wat boven is, de sterren, het goddelijke. Het wordt daarnaar opgelicht, raakt daarop afgestemd. Zo tekent het gedicht de weg naar een compleet ‘zijn’. Het ‘hebben’ is niet meer nodig. Er komt een rusten in jezelf, verbonden zijn met het hogere. Dat lijkt me een gezonde houding voor onze tijd.

A. Bruin