Artikelindex

DAN ZAL IK LEVEN

In de maand november worden de overledenen herdacht, ín de kerk, en in toenemende mate ook erbuiten. In de kerk richten we ons deze maand ook op de toekomst: naar wat voor toekomst zien wij uit?

Het verlangen, de hoop van de kerk voor doden en levenden wordt onder woorden gebracht in het onderstaande gedicht / lied van Huub Oosterhuis, ‘Dan zal ik leven’.

Het zal in alle vroegte zijn

- als toen.
De steen is weggerold.

Ik ben uit de grond opgestaan.
Mijn ogen kunnen het licht verdragen.
Ik loop en struikel niet.
Ik spreek en versta mijzelf.
Mensen komen mij tegemoet

- wij zijn in bekenden veranderd.

Het zal in alle vroegte zijn

- als toen.
De ochtendmist trekt op.
Ik dacht een dorre vlakte te zien.
Volle schoven zie ik, lange halmen,

aren waarin de korrel zwelt.
Bomen omranden het bouwland.
Heuvels golven de verte in,

bergopwaarts, en worden wolken.
Daarachter, kristal geworden, verblindend,
de zee die haar doden teruggaf.

Wij overnachten in elkaars schaduw.
Wij worden wakker van het eerste licht.
Alsof iemand ons bij naam en toenaam heeft geroepen.

Dan zal ik leven.

Allerlei bijbelse woorden en beelden worden in het lied met elkaar vervlochten:

de graankorrel die sterft en vrucht voortbrengt (Joh. 12, I Kor. 15), gekend worden bij je naam (Joh. 10, I Kor. 13), de zee die haar doden teruggeeft (Opb. 20: 13).

Vooral het paasverhaal speelt mee. De evangeliën vertellen dat in de vroege ochtend

de steen van het graf was gerold en dat een engel het bericht doet dat Jezus is opgestaan tot een nieuw leven in het licht.

Het lied klinkt als een getuigenverslag: Iemand lag onder/achter een steen. In de ochtend kan deze tot eigen verwondering opstaan, een ochtend - als toen op Pasen. Na de overnachting in het duister is er een wakker worden in nieuw ongekend licht, het eerste licht van het begin van de schepping. Degene die opstaat voelt het alsof hij/zij wakker is geroepen, door een stem die vertrouwen inboezemt. De persoon is ook niet alleen,

er is een ‘wij’ op hem/haar heen.

Het lied legt niets uit, beschrijft slechts een gebeuren. Het is te lezen als een bede: Mag het zo zijn, dat op grond van de opstanding van Jezus, ook wij eens zullen opstaan in een geheel nieuwe morgen, op een nieuwe aarde.

A. Bruin