Artikelindex

 

HET KIND VAN KERST DRAGEN

Advent is de tijd van voorbereiding op het Kerstfeest. Of beter: Advent is tijd van verwachting van de geboorte van het Kerstkind. En als het Kerst geworden is, komen we naar het Kind en begroeten het met liederen en een feestelijke sfeer.

We zijn gewend om aan te sluiten bij de herders en de wijzen en Simeon & Hanna. In hun voetspoor komen we van buiten af naar het Kerstfeest. En dan ontmoeten we het Kerstkind. Pas op Kerst komen we erbij.

Kan het anders? Kunnen we in de Adventstijd al bij het Kind zijn?

Er is nog iemand in het evangelie: Maria. Zij is al bij het kind vóór de geboorte. Zij draagt het in zich. Het kind groeit in haar, van dag tot dag. Zij voelt het kind in zich leven en bewegen, tot het moment daar is, dat het ter wereld kan komen.

Het vraagt een gedachtesprong, en voor mannen sterker dan voor vrouwen, maar het is te proberen:

Willen we het Kerstkind al in de Adventstijd in ons dragen? Willen we het ruimte geven, niet naast ons, maar ín ons?

Mag het ons al in de weg zitten bij wat we uit onszelf willen doen, mag het af en toe zwaar in ons wegen, mag het in de Adventstijd al heel wat vragen van ons lichaam en onze geest?

Als het Kind dan in ons begint te leven, onze aandacht vraagt, als het sterker wordt,

duidelijker gaat bewegen, dan zal dat ons vreugde geven:

Ja, er ontkiemt nieuw leven in ons, iets nieuws en nog onbekends zal geboren worden,

en wij mogen er dienstbaar aan zijn. We zijn in verwachting van iets, dat slechts als genade van God ontvangen kan worden.

Het Kind is de belichaming van de woorden van God, woorden over delen van brood en wijn, over barmhartigheid, woorden over vrede op aarde, vrede met God, vrede tussen mensen. Dát kind groeit dan in ons in de adventstijd. In die weken gaat het meer beslag leggen op onze geest en op ons lichaam, op hoe we denken en wat we doen.

We leven toe naar het Kerstfeest, en als het goed is, is het kind in ons juist voldragen op Kerstavond.

 

Op Kerstmis wordt dit Kind dan geboren. De vrede, de hoop, betreedt de werkelijkheid van het leven, het ís nu aanwezig als een feit.

Als dit kind geboren is, beschaamt het ook meteen de bestaande machten. Er komen dan al direct reacties, zoals van koning Herodes, die dit Kind het liefste uit de weg ruimen.

Maar het kind is er, goddank. Het kind is echter nog klein, is zwak, ligt armoedig in een voederbak. Het Woord is pas fluisterend aanwezig, er is slechts een sprankje hoop. Het Kind is enerzijds sterk, draagt de herkomst uit de hemel in zich, maar het is ook o zo teer.

En wij zullen ook na de geboorte nog voor het kind moeten zorgen, het koesteren,

het met veel liefde en zorg moeten omringen, zodat de vrede kan groeien, het Woord anderen in beweging kan zetten, de hoop op kan bloeien.

Wij kunnen niet, zoals de herders, na de geboorte weer vertrekken. We zullen als Maria voor het kind moeten blijven zorgen, zodat het op kan groeien in ons huis, sterk kan worden,

totdat het op zijn beurt voor ons kan gaan zorgen, ons zal bij staan en troosten.

De Adventstijd is niet alleen voorbereiding op de dag van Kerstmis, het is het begin van een heel leven samen met het Kind van Kerst.

A. Bruin

 


DAN ZAL IK LEVEN

In de maand november worden de overledenen herdacht, ín de kerk, en in toenemende mate ook erbuiten. In de kerk richten we ons deze maand ook op de toekomst: naar wat voor toekomst zien wij uit?

Het verlangen, de hoop van de kerk voor doden en levenden wordt onder woorden gebracht in het onderstaande gedicht / lied van Huub Oosterhuis, ‘Dan zal ik leven’.

Het zal in alle vroegte zijn

- als toen.
De steen is weggerold.

Ik ben uit de grond opgestaan.
Mijn ogen kunnen het licht verdragen.
Ik loop en struikel niet.
Ik spreek en versta mijzelf.
Mensen komen mij tegemoet

- wij zijn in bekenden veranderd.

Het zal in alle vroegte zijn

- als toen.
De ochtendmist trekt op.
Ik dacht een dorre vlakte te zien.
Volle schoven zie ik, lange halmen,

aren waarin de korrel zwelt.
Bomen omranden het bouwland.
Heuvels golven de verte in,

bergopwaarts, en worden wolken.
Daarachter, kristal geworden, verblindend,
de zee die haar doden teruggaf.

Wij overnachten in elkaars schaduw.
Wij worden wakker van het eerste licht.
Alsof iemand ons bij naam en toenaam heeft geroepen.

Dan zal ik leven.

Allerlei bijbelse woorden en beelden worden in het lied met elkaar vervlochten:

de graankorrel die sterft en vrucht voortbrengt (Joh. 12, I Kor. 15), gekend worden bij je naam (Joh. 10, I Kor. 13), de zee die haar doden teruggeeft (Opb. 20: 13).

Vooral het paasverhaal speelt mee. De evangeliën vertellen dat in de vroege ochtend

de steen van het graf was gerold en dat een engel het bericht doet dat Jezus is opgestaan tot een nieuw leven in het licht.

Het lied klinkt als een getuigenverslag: Iemand lag onder/achter een steen. In de ochtend kan deze tot eigen verwondering opstaan, een ochtend - als toen op Pasen. Na de overnachting in het duister is er een wakker worden in nieuw ongekend licht, het eerste licht van het begin van de schepping. Degene die opstaat voelt het alsof hij/zij wakker is geroepen, door een stem die vertrouwen inboezemt. De persoon is ook niet alleen,

er is een ‘wij’ op hem/haar heen.

Het lied legt niets uit, beschrijft slechts een gebeuren. Het is te lezen als een bede: Mag het zo zijn, dat op grond van de opstanding van Jezus, ook wij eens zullen opstaan in een geheel nieuwe morgen, op een nieuwe aarde.

A. Bruin

 


MEDITATIE: HEBBEN EN ZIJN

De dichter Ed. Hoornik (1910-1970) zet in het gedicht ‘Op school stonden ze…’ uit de bundel ‘Het menselijk bestaan’ (1952) twee werkwoorden naast elkaar: hebben en zijn.

Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.

In eerste instantie lijkt het verschil tussen ‘hebben’ en ‘zijn’ in het gedicht onschuldig.

Een herinnering van school wordt opgeroepen. Zo hebben we het geleerd:

Ik heb, jij hebt, hij heeft; en: ik ben, jij bent, zij is.

Maar gaandeweg wordt duidelijk dat je de twee werkwoorden kunt zien als twee houdingen om in het leven te staan: Wil iemand vooral ‘hebben’ of wil je ‘zijn’?

In onze samenleving is de houding breed aanwezig, dat je pas iemand bent, meetelt, als je bepaalde dingen hébt.

Je bent iemand als je het nieuwste product hebt, en van het gewaardeerde merk.

Je wordt ook iemand als je iets aparts hebt meegemaakt, en daarover kunt vertellen.

Je wordt iemand als je iets bijzonders hebt gepresteerd.

Eerst moét je allerlei dingen doen, moet je iets scoren, iets ‘hebben’, dán krijg je waarde als mens. Als mensen dat niet ‘hebben’ worden ze onrustig, voelen ze dat ze tekort schieten.

Zo jagen mensen elkaar op en lopen ze hijgend achter hun doelen aan.

Je zou ook een andere houding in het leven kunnen kiezen:

Ik ‘ben’ al iemand, gewoon omdat ik ben zoals ik ben, met mijn karakter, mijn uiterlijk.

Ik hoef niet te hebben wat een ander heeft, ik hoef niet te worden zoals een ander is.

Ik mag er zijn, met dat wat bij mij past. Ik wil er ook zijn voor een ander.

In de bijbelse verhalen komt naar voren, dat elk mens uniek is. Elk mens heeft een eigen geschiedenis. Een mens krijgt van God ruimte om te leven, hij/zij mag er zijn. Dat voelt genadig aan, dat geeft rust.

In het laatste couplet van het gedicht wendt het ‘zijn’ zich af van het ‘hebben’ van volwas-senen en wordt het weer als een kind. Het ‘zijn’ wordt gevoelig voor wat boven is, de sterren, het goddelijke. Het wordt daarnaar opgelicht, raakt daarop afgestemd. Zo tekent het gedicht de weg naar een compleet ‘zijn’. Het ‘hebben’ is niet meer nodig. Er komt een rusten in jezelf, verbonden zijn met het hogere. Dat lijkt me een gezonde houding voor onze tijd.

A. Bruin

 


 

HEBBEN EN ZIJN

De dichter Ed. Hoornik (1910-1970) zet in het gedicht ‘Op school stonden ze…’ uit de bundel ‘Het menselijk bestaan’ (1952) twee werkwoorden naast elkaar: hebben en zijn.

Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
de ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.

In eerste instantie lijkt het verschil tussen ‘hebben’ en ‘zijn’ in het gedicht onschuldig.

Een herinnering van school wordt opgeroepen. Zo hebben we het geleerd:

Ik heb, jij hebt, hij heeft; en: ik ben, jij bent, zij is.

Maar gaandeweg wordt duidelijk dat je de twee werkwoorden kunt zien als twee houdingen om in het leven te staan: Wil iemand vooral ‘hebben’ of wil je ‘zijn’?

In onze samenleving is de houding breed aanwezig, dat je pas iemand bent, meetelt, als je bepaalde dingen hébt.

Je bent iemand als je het nieuwste product hebt, en van het gewaardeerde merk.

Je wordt ook iemand als je iets aparts hebt meegemaakt, en daarover kunt vertellen.

Je wordt iemand als je iets bijzonders hebt gepresteerd.

Eerst moét je allerlei dingen doen, moet je iets scoren, iets ‘hebben’, dán krijg je waarde als mens. Als mensen dat niet ‘hebben’ worden ze onrustig, voelen ze dat ze tekort schieten.

Zo jagen mensen elkaar op en lopen ze hijgend achter hun doelen aan.

Je zou ook een andere houding in het leven kunnen kiezen:

Ik ‘ben’ al iemand, gewoon omdat ik ben zoals ik ben, met mijn karakter, mijn uiterlijk.

Ik hoef niet te hebben wat een ander heeft, ik hoef niet te worden zoals een ander is.

Ik mag er zijn, met dat wat bij mij past. Ik wil er ook zijn voor een ander.

In de bijbelse verhalen komt naar voren, dat elk mens uniek is. Elk mens heeft een eigen geschiedenis. Een mens krijgt van God ruimte om te leven, hij/zij mag er zijn. Dat voelt genadig aan, dat geeft rust.

In het laatste couplet van het gedicht wendt het ‘zijn’ zich af van het ‘hebben’ van volwas-senen en wordt het weer als een kind. Het ‘zijn’ wordt gevoelig voor wat boven is, de sterren, het goddelijke. Het wordt daarnaar opgelicht, raakt daarop afgestemd. Zo tekent het gedicht de weg naar een compleet ‘zijn’. Het ‘hebben’ is niet meer nodig. Er komt een rusten in jezelf, verbonden zijn met het hogere. Dat lijkt me een gezonde houding voor onze tijd.

A. Bruin


WAAR LEEFT DE KERK VOOR?

Pinksteren, het feest dat we pas hebben gevierd, is het begin van een beweging die de wereld door gaat. Die beweging wordt genoemd: de kerk. Waar gaat het om in die kerk? Hieronder volgt een deel van een langere tekst van Margriet Gosker, ‘Waar leeft de kerk voor’. Daarin komt heel wat voorbij, waardoor mensen kunnen zeggen: in die beweging wil ik meedoen.

Niet voor zichzelf leeft de kerk,

niet voor haar eigen bestwil,

maar met het oog op de wereld

zijn we als mensen van God,

als spoorzoekers van Jezus,

als dragers van de Geest

geroepen tot getuigenis en dienst,

tot het doen van gerechtigheid en barmhartigheid.

Om te leven uit de Schriften

als hoorders van het Woord,

die met recht de daad bij het Woord voegen

om het blijde nieuws te verkondigen van Jezus Messias,

het leven van de wereld.

Om verlorenen te zoeken,

afgedwaalden thuis te brengen,

verbrokenen te helen,

gewonden te verbinden,

zieken te versterken,

gebogenen op te richten,

het geschapene te hoeden,

de vrede te bewaren,

het kwaad te keren,

de Schepper te eren,

want wij zijn uw mensen

en Gij zijt onze God.

Tochtgenoten zijn wij allen,

tijdgenoten van elkaar,

lotgenoten in de wereld,

pelgrims in een lange stoet,

vrouwen en mannen

op weg naar het licht.

Niet een gemeenschap van gelijkgezinden of gelijkgestemden,

maar mensen, bezield door de kracht van de Geest.

Een lange stoet van mensen, de eeuwen door.

De stoet gaat door, samen op weg,

volhardend, hoopvol,

voorop het Lam,

op weg naar het Rijk,

de schone stad van vrede, vreugde en gerechtigheid

A. Bruin

 


DE ZIEL OP EEN KIER

De ziel moet altijd op een kier
zodat wanneer de Hemel zoekt
Hij niet te wachten hoeft
of bang is dat hij stoort

en weggaat eer de gastvrouw
de grendel van de voordeur doet -
op zoek naar de volmaakte Gast,
die haar niet meer bezoekt -.

De bovenstaande tekst is een vertaling (van Jan Eikelboom 1996) van het gedicht ‘The soul should always stand ajar’ van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson. Dickinson leefde 1830-1886 in de Verenigde Staten. Ze stamde uit een gereformeerde (puriteinse) familie, maar ging op een eigen onafhankelijke manier met geloof om.

Het gedicht gebruikt een huiselijk beeld om over geloof te spreken. De ziel is als een huis met een deur. Je kunt die deur gesloten houden. Dan ben je veilig in je vertrouwde omgeving met je eigen opvattingen die je niet hoeft te veranderen. Die opvattingen kunnen op godsdienstig gebied inhouden dat je weinig rekening houdt met geloof óf dat je een uitgebreide mening hebt wie God is en wat hij doet en wat hij van mensen verwacht. In beide gevallen is de deur dicht. Er komt niets bij de opvattingen en er gaat niets af. Er is dan geen verkeer tussen de ziel en de hemel.

Je kunt de deur ook op een kier zetten. Want je weet niet wanneer de hemel zich meldt.

En de hemel is, volgens het gedicht, niet een macht die met grote kracht komt, die op de deur bonst en roept om binnengelaten te worden. De hemel is eerder terughoudend, verlegen, bang dat hij stoort. Alleen als de deur al op een kier staat, zal de hemel de deur een stukje verder open duwen en voorzichtig binnen komen.

Als de deur dicht is, zal de hemel niet storen. De hemel zal niets afdwingen en zal dan verder gaan, naar een volgend huis, om te kijken of de deur daar wel open is.

Als de bewoner van het huis zelf een keer de behoefte heeft om een hoge hemelse gast te ontmoeten en de grendel van de deur haalt, dan hoeft die gast helemaal niet in de buurt te zijn. De hemel is namelijk niet op commando beschikbaar.

En als de bewoner meende iemand bij de gesloten deur te zien, en later de grendel van de deur gaat halen, dan kan het zijn dat de hemelse gast al verder getrokken is. Het moment is voorbij gegaan, de kans gemist.

Daarom raadt het gedicht aan, om de deur van het huis van de ziel altijd maar op een kiertje te zetten. Daarmee laat je een verwachtende houding zien. Als de hemelse gast je woning zoekt, dan weet deze zich welkom en kan hij voorzichtig binnenkomen. En dan kan er vervolgens een ontmoeting plaats vinden tussen de ziel en de hemel, kan de ziel zich door de hemel laten aanspreken en inspireren, kan een hemelse geest het aardse huis vervullen.

De deur op een kier houden om, als de hemel zich aandient, deze vreugdevol te begroeten - ik vind het een mooie levenshouding voor elke dag.

A. Bruin

 


VOORDAT DE STEEN WERD AFGEWENTELD

In de vier Evangeliën komt aan het eind een gat voor. Jezus wordt op de avond van Goede Vrijdag in een rotsgraf gelegd. Als enkele vrouwen 1 ½ dag later op zondagochtend bij het graf gaan kijken, is de steen vóór het graf weg gewenteld. Er is het bericht dat Jezus is opgestaan, door een engel verteld. Vooral in het evangelie van Marcus is de verbijstering van de vrouwen zo groot, dat ze niets anders kunnen doen dan wegvluchten van het graf.

Er is 1 ½ dag stilte in de Evangeliën. In die tijd moet de opstanding van Jezus geschied zijn.

Uiteraard wekt dit de nieuwsgierigheid op. Wanneer is de opstanding gebeurd? En hoe heeft die plaats gehad? Wie rolde de steen weg, wie haalde de windsels van het lichaam? Waar is Jezus heen gegaan, naar de hemel? De vier Evangeliën houden halt en zwijgen.

In het ‘Evangelie van Petrus’, een apocrief geschrift uit ongeveer het jaar 150, wordt wél ingevuld hoe de opstanding plaats vond (vs. 31-44):

Pilatus stelde hun de centurio Petronius met soldaten ter beschikking om het graf te bewaken. Met hen mee kwamen oudsten en schriftgeleerden aan bij het graf.

En met de centurio en de soldaten rolden allen die daar waren samen een grote steen voort en zetten die voor de ingang van het graf.

Zij brachten zeven zegels aan, zetten een tent op en hielden de wacht.

In de vroegte, toen het licht werd op de sabbat (zaterdagochtend), kwam uit Jeruzalem en de omgeving een menigte aan om het verzegelde graf te gaan zien.

Maar in de nacht waarin de dag van de Heer op begon te lichten (zondag), toen de soldaten twee aan twee om beurten de wacht hielden, klonk er uit de hemel een groot geluid.

Zij zagen de hemelen geopend en twee mannen die met veel fonkeling daaruit neerdaalden en het graf naderden.

De steen die bij de ingang was gelegd rolde uit zichzelf weg en week naar de zijkant.

Het graf ging open en beide jongemannen gingen er binnen.

Toen de soldaten dat zagen, maakten ze de centurio en de oudsten wakker, want ook die waren bij de wacht aanwezig.

Terwijl zij vertelden wat ze hadden gezien, zagen zij drie mannen weer uit het graf komen.

De twee ondersteunden de ene, en een kruis volgde hen.

Het hoofd van de twee reikte tot aan de hemel, maar dat van hem die door hen bij de hand werd geleid, oversteeg de hemelen.

En ze hoorden een stem uit de hemelen zeggen: “heb je tot de ontslapenen (in de onder-wereld) gepredikt? En vanaf het kruis werd hoorbaar een ‘ja’ gehoord.

Samen besloten ze om heen te gaan en deze dingen te melden aan Pilatus.

Terwijl ze dat nog overlegden, zagen ze de hemelen opnieuw geopend

en een mens daalde neer en ging het graf binnen.

Hoe is dit te zien? Als vrome fantasie? Het gat in de bijbelse Evangeliën wordt ingevuld.

Er komen twee engelen, de steen rolt opzij, Jezus stijgt op naar de hemel, later neemt een volgende engel plaats in het graf om in de ochtend de vrouwen antwoord te kunnen geven.

Met deze aanvulling wordt de menselijke nieuwsgierigheid bevredigd, het verhaal wordt kloppend gemaakt, een verklaring wordt geboden.

Vanuit dit Evangelie van Petrus kijken we nog eens naar de bijbelse (of ‘canonieke’) Evangeliën. Daar is geen uitleg van de opstanding zelf te vinden. De verbijstering is te groot. Er is iets gebeurd dat met geen menselijke woorden is te bevatten of te beschrijven. Het gaat om een mysterie dat gevolgen heeft voor alles en allen in hemel en op aarde. De evangelie-schrijvers leggen eerbiedig hun pen neer. Hier past slechts zwijgen en aanbidding.

A. Bruin


HET VERHAAL GAAT…

Op 28 januari overleed de Amsterdamse predikant Nico ter Linden op 81-jarige leeftijd.

Door de scriba van de Protestantse Kerk werd hij na het overlijden betiteld als een ‘ras-verhalenverteller’. Ik herinner me TV-uitzendingen van de NCRV eind jaren ’80, ‘Op verhaal komen in de Wester’, waarin Ter Linden op een kruk gezeten de verhalen van Jakob en Esau vertelde. Hij vertelde ze zó, dat je zelf een plaats vond in het verhaal, dat je getuige werd van de gesprekken tussen Jakob en Esau, dat de verhalen in het heden leken voor te komen. Ter Linden vertelde het verhaal nauwkeurig na, voegde niet allerlei dingen toe, maar stapte soms even buiten het verhaal om van terzijde uitleg te geven, zodat je ging begrijpen wat de thema’s in de verhalen waren.

Het voornaamste werk dat Nico ter Linden nalaat is de zes-delige boekenserie ‘Het verhaal gaat…’ (1996-2003), waarin hij verhalen uit grote delen van de Bijbel navertelt. De serie is wel omschreven als een ‘kinderbijbel voor grote mensen’. De aanpak ligt in het verlengde van de TV-serie ‘Op verhaal komen’. Ter Linden schreef ‘Het verhaal’ niet alleen voor kerkmensen. Hij was zich ervan bewust dat steeds minder mensen bij een kerk hoorden. Maar als mensen niet meer in een kerk de bijbelse verhalen horen, dan dreigt de kennis daarvan verloren te gaan. Als je bijbelverhalen niet meer kent, kun je ook allerlei schilderijen en muziekstukken niet meer verstaan. Verlies van de kennis van bijbelverhalen brengt ook een verlies aan begrip van cultuur met zich mee. Ter Linden schreef de serie ‘Het verhaal gaat…’ daarom ook met de hoop dat buitenkerkelijken deze bewerking van de bijbelverhalen zouden lezen, om zo de christelijke cultuur te bewaren.

In 2016 schreef Nico ter Linden een klein boekje ‘En dan nog dit, wandelen met God’. Het is een terugblik op zijn leven. Hij gaat na hoe zijn geloof zich ontwikkeld heeft in de loop van de tijd. Hij citeert zijn vader die op hoge leeftijd zei: “Vroeger geloofde ik alles. Nu geloof ik nog steeds alles, maar alles anders.” Ter Linden zegt zelf: “Ik leerde het nodige af en ik leerde het nodige bij.” En zegt even later: “Ik houd er welbeschouwd nog steeds een kinderlijk geloof op na… maar het is wel door volwassen vragen heen gegaan” (pag. 9-11).

Ter Linden ziet de waarde van de kerk vooral daarin, dat in een kerk de verhalen van het geloof levend worden gehouden. Met die verhalen beheert de kerk een schat. De kerk is te omschrijven als een ‘vertelgemeenschap’ of ‘verhalengemeenschap’: rondom de bijbel-verhalen ontmoeten mensen elkaar en delen ze elkaars levensverhalen (pag. 67).

Aan het eind van het boekje tast hij vragen over de dood af. Hij citeert de joodse filosoof Martin Buber: “Het echte geloof zegt: ik weet niets van de dood, maar ik weet dat God eeuwigheid is en ik weet ook dat hij mijn God is.” Hij haalt zijn vader aan, die het idee van een oordeel door God nog niet zo gek vond. Dan leg je namelijk verantwoording af. “Dan loop je met God nog een keer door je leven, langs het licht en het donker ervan.” Ter Linden haalt ook de klassieke katholieke uitvaartgezang aan: “Mogen de engelen u naar het paradijs geleiden”, opdat de doden daar met de arme Lazarus zullen verkeren. Ter Linden geeft als commentaar: “Geen hemel zonder verloste bedelaars” (pag. 73-76).

De titel van de serie ‘Het verhaal gaat…’ kan op twee manieren gelezen worden. Als eerste: Het verhaal gaat dat er eens dat en dat plaats vond tussen God en mens. Wat er feitelijk gebeurde is niet meer te achterhalen, maar we hebben de neerslag ervan in de bijbelse verhalen, die gelden als Heilige Schrift en daar kunnen we vandaag nog steeds mee leven.

Als tweede: Het verhaal gaat nog steeds, gaat verder in het heden, we laten het verhaal door ons heen gaan, we leven ermee, we zetten ons voor dat verhaal in, en God stuwt het verhaal verder, maar hoe het zal gaan weten we niet. Dat alles ligt besloten in de drie puntjes aan het eind van de titel, drie puntjes die op de voorkant van elk boek goudkleurig zijn.

Nico ter Linden is van ons heengegaan, maar het verhaal gaat…

A. Bruin