Artikelindex

IN DE ZON

In de zomer kunnen er aangename dagen zijn, met lang daglicht, een temperatuur die uitnodigt om buiten te zijn, met genieten van de zon.

In de Bijbel zinspeelt Psalm 19 op zulke dagen:

De zon trekt als een bruidegom uit zijn tent en gaat zijn loop langs de hemelboog (vs. 5-6).

De hemel laat de glorie van God zien (vs. 2).

Op die dagen als een mens overdag in de zon loopt, of als hij laat in de avond opkijkt naar de sterren, lijken de dag en de nacht iets te vertellen aan de mens (vs. 3).

Maar wat zeggen ze? Wat vertellen warme zomerdagen? Laten ze iets zien van wat van verder weg komt? Delen ze een geheim mee? Openbaren ze een verbondenheid tussen mens, aarde, sterren, en heel de kosmos?

In de psalm wordt de vraag niet beantwoord, maar blijft deze staan: Dag en nacht zeggen wel iets, gebruiken een taal, maar het zijn geen herkenbare woorden (vs. 4-5),

In de psalm staat de zon in het middelpunt. De zon trekt langs de hemelkoepel. In de loop van één dag valt het licht op alle delen van de aarde. Niets wordt door het licht niet aangeraakt. De psalm benadrukt dit. Het licht van boven valt op íeder.

En wat eerder in het donker lag, komt door de zon aan het licht (vs. 6-7).

In de psalm wordt dit alles met verwondering gade geslagen.

Dan komt er een overgang naar het tweede deel van de psalm (vs. 8). Zoals de zon zijn baan trekt over alles op aarde en zijn licht laat schijnen op alles, zó hebben de woorden van God betrekking op alle dingen op aarde, de mens, werk en vrije tijd, de schepping, kortom het hele leven. Op al die dingen laten de woorden van God licht vallen van bovenaf.

De Wet van God (de Torah, met verhalen, en aanwijzingen) verheldert de dingen op aarde. En zoals de zon mensen energie geeft en vreugde, zo geven de woorden van God aan mensen levenskracht en wekken ze een gevoel van dankbaarheid op.

Wat eerst in het donker lag, in het verborgene gebeurde (vs. 13), door droefheid of door zondig handelen, wordt met licht aangeraakt, tot leven gewekt, en in het daglicht geroepen.

Door het licht van de Torah van God wordt een mens aangezet om voluit te gaan leven, om ‘volmaakt’ (vs. 8 en 14) te worden.

Gebruikt het tweede deel van de psalm over de Wet, nu het eerste deel over de zon alleen maar als opstapje? Ik denk het niet. Het ervaren van het zonlicht, het bewust zijn van de nacht met de sterren en van het daglicht hebben wel degelijk hun waarde. Er wordt iets in gezegd, het is taal. Maar die taal is pas te verstaan, als gezien wordt dat juist de woorden van Gód over het hele leven gaan en over heel de schepping. De aarde is een plaats, door God aan de schepselen gegeven om daar samen te leven en om af en toe te genieten.

Daarbinnen speelt de zon zijn rol, de zon die volgens Genesis 1 als een lamp door God is opgehangen (Gen. 1: 16). De zonlicht en de sterren weerspiegelen de glorie van God (vs. 2). En het genieten van het licht van de zon is te ervaren als het ontvangen van een teken van de goedheid van een liefdevolle God.

Een mooie zomer is daarom te beleven als een voorbode en bevestiging van wat deze God ons nog meer wil geven: “Eens komt de gróte zomer” (LB 747). En op de uiteindelijke aarde valt de zon in het niet bij het licht dat God zelf voor de mensen zal zijn (Openbaring 22: 5).

Zo heeft het licht van de zon veel te ‘vertellen’ (vs. 2-5). Als deze zomer de zon schijnt, en u hebt een rustig moment, op het balkon, in de tuin, op de vakantieplek, is er misschien de gelegenheid om te luisteren naar het verhaal van het zonlicht.

A. Bruin