Artikelindex

HET VERLANGEN NAAR EEN WITTE KERST

“Is er dit jaar kans op een Witte Kerst” wordt vanaf half december gevraagd aan weervrouwen en -mannen. Die kans is maar klein volgens de gemiddelde cijfers. Toch voegt een witte Kerst voor het gevoel van veel mensen iets toe aan de Kerstdagen. Op een groot aantal Kerstkaarten ligt er een dikke laag sneeuw op daken van huizen en takken van bomen. Waarom vinden we een witte Kerst zo mooi? Is het alleen een romantisch gevoel: witte heldere sneeuw in het donkerste deel van het jaar?

Ik vermoed dat er meer meespeelt. Als u ’s morgens de gordijnen opentrekt, en u ziet tot uw verbazing dat de hele straat bedekt is met een flinke laag sneeuw, die er de avond ervoor nog niet was, en er zijn nog geen sporen van auto- of fietsbanden, dan is dat een fascinerend schouwspel,

Het is de bekende wereld van gisteren en toch is alles anders, alsof er van hogerhand een toverstaf overheen gehaald is.

Het gewone alledaagse, het stof, onkruid, restjes afval, ze zijn bedekt met een witte laag. Het viezige is toegedekt met smetteloos ongerept wit. De wereld is als herboren, het oude is nieuw geworden. Wat gisteren nog onmogelijk leek, is geschied. Er heeft een wonder plaats gevonden.

Zo’n sneeuwdek waarnemen sluit aan bij andere verlangens die we al hadden.

Zoals witte sneeuw vuil op straat bedekt, zo zou het vuile, verkeerde in de samenleving ook bedekt moeten worden door een nieuwe frisse laag, die een nieuwe toekomst mogelijk maakt.

Zoals sneeuw een brede egale deken over tuintegels en stoepstenen spreidt, zo zouden de breuklijnen en spanningen tussen mensen bedekt moeten worden door een nieuwe verzoenende laag. De sneeuw roept de wens op van een nieuwe heelheid tussen mensen.

Zoals sneeuw het vieze en rommelige, bedekt, zo zouden ook bij een individuele mens de eigen fouten, het verleden toegedekt moeten worden. Dan komt er de gelegenheid om opnieuw, blanco te beginnen. De dichter Willem Barnard eindigt het gedicht ‘Te wit om door te gaan’, dat gaat over vallende sneeuw, met de volgende twee regels:

“er ligt vergeving op de daken.

er is een toekomst buiten mij.”

De sneeuw wordt in het gedicht beeld van vergeving: het verleden is bedekt, een kracht buiten mij maakt een nieuwe toekomst mogelijk.

Een wit wonderland is dus niet alleen een mooi plaatje buiten. Het is een zichtbare bevestiging dat ook in het leven van een mens een nieuw begin mogelijk is.

Het beeld van de pasgevallen sneeuw is inhoudelijk te verbinden met het Kerstevangelie. Want de Messias wordt geboren om een nieuw leven op aarde in te luiden. Hij zal mensen samenbrengen, verzoenen, heelheid brengen. Hij zal tot mensen zeggen: je zonden worden je vergeven, je mag een nieuw mens worden, een nieuwe schone wereld ligt voor je.

Dat gebeurt in de evangelieverhalen en ook in ons leven meestal niet in één keer. Er zijn gesprekken nodig, botsingen. Het anders gaan kijken, andere inzichten krijgen gaat langzaam. Het ontstaan van een nieuwe heelheid is een proces.

Maar ook het pak sneeuw in de ochtend is er ook niet in één keer gekomen. Het is in de nacht geleidelijk opgebouwd. Uit de donkere lucht zijn de witte vlokken neergedaald, van bovenaf. De sneeuwvlokken zijn één voor één neergedwarreld. De laag sneeuw is kristal voor kristal opgebouwd.

Zo dalen ook de vrede en de heelheid van het Kerstkind langzaam neer bij mensen, stukje bij beetje, totdat uiteindelijk de wereld er geheel anders uit gaat zien, helemaal nieuw.

A. Bruin


LANGS DE RAND VAN HET LEVEN

Wie een proces van ziek-zijn mee maakt, kan dat ervaren als het voeren van een strijd: ga ik het winnen of ga ik de nederlaag lijden. Het kan gaan langs de grens van leven en dood.

Belangrijke personen in dat gevecht zijn de artsen en anderen die een operatie uitvoeren.

Bij zulke gevoelens schreef dichter en theoloog Willem Barnard (pseudoniem: Guillaume van der Graft) het gedicht ‘De chirurg’ (1950). Dat is hieronder voor het grootste deel afgedrukt.

Met wit hiëratisch bekleed
en steeds op de rand van rouw
bevecht hij het lot en het leed
en blijft aan het leven trouw.

De priester erkent hij niet
en zeker niet in zichzelf.
Hij schrijdt ook niet als een lied
door het schemerlicht van een gewelf,

hij snijdt als een dissonant
in de duisternis van het lijf,
hij heeft een profetische hand
als die waarvan God zei “Schrijf:

de dood haat ik als een gezwel
en het leed is een carcinoom,
gehoorzaam en schrijf: ik herstel
het leven weer tot mijn droom!”

Wij weten niet wat hij gelooft,
het maakt ook geen verschil,
wanneer hij de mensen verdooft,
hij doet het om Christus’ wil.

De arts, in het wit gekleed, doet de dichter denken aan een priester (hiëratisch = priesterlijk).

Dat is niet verwonderlijk. Een arts probeert het leven van iemand te behouden, en houdt zich zodoende bezig met heilige zaken.

Nu hoeft de arts zichzelf zeker niet als priesterlijk of heilig te beschouwen, en is misschien ook helemaal niet gelovig, maar volgens het gedicht vervult hij toch een priesterlijke rol.

De chirurg is in het gedicht ook als een profeet. Hij of zij doet wat in eerste instantie ongepast lijkt, snijdt in een menselijk lichaam. Maar de bijbelse profeten traden ook op ongebruikelijke wijze op, om een nieuwe toekomst mogelijk te maken. De arts als profeet hoort het woord van God, handelt, en probeert een mensenleven te herstellen.

Nog een stap verder gaat het gedicht. De arts is ook dienstbaar aan Christus. Want Christus werkte genezend onder mensen, en de arts sluit daarbij aan.

Het ziek-zijn kan langs de grens tussen dood en leven gaan. En die strijd wordt niet altijd gewonnen. Maar aan de grens kan wel de ‘droom’ van God, in het gedicht genoemd, voor ogen komen, de droom die meer is dan het biologische leven, de droom van aanvoelen waar het in het leven om gaat, de droom van verzoening met je naasten, met God, met jezelf, de droom van komen tot je bestemming. En God-zij-dank kan een arts door een operatie een mens soms de mogelijkheid geven om daar een langere levenstijd bewust bij stil te staan.  

A. Bruin


MET LUTHER IN DE OCHTEND EN DE AVOND

De meditatie van deze maand past binnen het kader van de herdenking van 500 jaar Reformatie, 1517-2017. In 1529 stelde Luther een klein boekje samen, ‘Kleine Catechismus’. Daarin zette hij een aantal hoofdzaken van het geloof uiteen, o.a. uitleg van de Tien Geboden en van het Onze Vader. Het boekje was maar klein. Luther wilde vooral wat steun in het geloven aanreiken. Hieronder zijn de ‘ochtendzegen’ en de ‘avondzegen’ afgedrukt.

’s Morgen bij het opstaan zul je zeggen:

“In de naam van God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.”

Daarna zeg je geknield of staand het Geloof en het Onze Vader op.

Als je wilt, kun je dit gebed erbij zeggen:

“Ik dank U, mijn hemelse Vader, door Jezus Christus, uw lieve Zoon,

dat U mij deze nacht voor alle schade en gevaar hebt behoed,

en ik bid U, dat U mij deze dag ook wilt behoeden voor zonden en alle kwaad,

opdat alles wat ik doe en heel mijn leven U behagen mag.

Want ik beveel mijzelf, mijn lichaam en mijn ziel, en alles, in uw handen.

Laat uw heilige engel bij mij zijn, zodat de boze vijand geen macht over mij krijgt. Amen.”

En dan vrolijk aan het werk en een lied gezongen, zoals dat van de Tien Geboden

of wat verder bij je opkomt.

’s Avonds bij het naar bed gaan zul je zeggen:

“In de naam van God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.”

Daarna zeg je geknield of staand het Geloof en het Onze Vader op.

Als je wilt, kun je dit gebed erbij zeggen:

“Ik dank U, mijn hemelse Vader, door Jezus Christus, uw lieve Zoon,

dat U mij deze dag genadig hebt behoed,

en ik bid U, wil mij al mijn zonde, alles waarin ik verkeerd gedaan heb, vergeven

en mij deze nacht genadig behoeden.

Want ik beveel mijzelf, mijn lichaam en mijn ziel, en alles, in uw handen.

Laat uw heilige engel bij mij zijn, zodat de boze vijand geen macht over mij krijgt. Amen.”

En dan vlug en vrolijk gaan slapen.

De twee gebeden zijn gedeeltelijk gelijk. Beide beginnen met een zegenbede, “In de naam van God, Vader, Zoon en Heilige Geest.” Aan deze God vertrouw je je toe. Luther adviseert om bij de woorden een kruisteken te maken. Het teken versterkt de woorden. Getekend met het kruis over je lichaam ga je de dag of de nacht in.

Het eigenlijke gebed begint met een dankzegging. Het eerste wat voor de hand ligt in contact met God is om te bedenken wat je ontvangen hebt, hoe je bewaard bent gebleven, ook als het voorbije deel van de dag zwaar is geweest.

In de avond is er een gebed om vergeving, om vrij te worden van wat verkeerd is gegaan.

Daarna wordt er vooruitgekeken: een bede om behoed te worden in de tijd die zal komen.

En ’s ochtend de bede om in al wat je doet, ja in heel je levenswijze, je zo op te stellen, dat je God een plezier doet. In een enkele regel wordt zo de richting gewezen voor de hele dag.

Aan het eind van het gebed is er een toevertrouwen aan God. Met de verwachting dat je er in de dag of de nacht niet alleen voor staat, dat God zal zorgen voor een engel die bij je is.

Aan het slot is er de overgang naar de praktijk. In de ochtend kun je vanuit het vertrouwen van het voortgaande gebed vrolijk aan het werk. De vrolijkheid kenmerkt de christen! Het afsluitende lied van het ochtendgebed kan tijdens het werk nog in je hoofd weerklinken.

En ook in de avond kun je vrolijk gaan slapen, wetend van Gods zorg over je. Ga maar vlug slapen, zegt Luther. Piekeren helpt niet, en een engel is bij je. Morgen wacht een nieuwe dag om vrolijk God te dienen.

A. Bruin


VRIENDSCHAP

In de Bijbel en breder in het christelijk geloof komen allerlei omschrijvingen en beelden van God voor: Schepper, Vader (of Moeder), herder, koning, Vaak is er dan een verschil in positie tussen God en mens. God staat hoog en een mens staat lager.

In Exodus 33 heeft Mozes de tent van samenkomst, het heiligdom, neergezet buiten het legerkamp van de Israëlieten, na de crisis rond het gouden kalf. Een wolk daalt neer op de tent. En dan staat er in vers 11: “De Heer sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht.”

Een gesprek van aangezicht tot aangezicht, is een gesprek waarbij de twee gespreks-partners elkaars gezichten zien, ze niet alleen de woorden van de ander horen, maar ook de bewegingen in het gelaat waarnemen, en de gevoelens erachter bespeuren. Zo’n gesprek is vertrouwelijk van aard.

De bijbeltekst vervolgt: “De Heer sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn naaste.” Het woordje ‘naaste’ kan ook vertaald worden als kameraad, vriend, of in bredere zin als volksgenoot of medemens.

Vanwege de eerdere vertrouwelijkheid in ‘van aangezicht tot aangezicht’ lijkt mij ‘vriend’ een passende vertaling (zo vertalen Statenvertaling, NGB 1951, Herziene Statenvertaling).

God en Mozes worden dus ‘vrienden’ van elkaar genoemd. Ze staan voor hetzelfde, ze werken samen, ze zijn bondgenoten. Er blijft wel verschil in hoog en laag, maar de onderlinge verbondenheid staat voorop.

God als je Vriend: ik vind dat een mooi beeld. Goede vrienden staan voor elkaar in. Tegen een vriend of vriendin kun je eerlijk zeggen wat je van binnen voelt, zonder dat deze het verkeerd zal gebruiken. Op een vriend of vriendin kun je terugvallen, je kunt hem of haar vertrouwen. Als je dan God als sterke Vriend hebt, zegt dat veel.

Huub Oosterhuis omschrijft in zijn psalmenbewerking ‘150 Psalmen vrij’ (2011) aan het begin van Psalm 107 en 118 God als: ‘Vriend voor het leven’. Oftewel: deze God, die van Abraham, Isaäk en Jakob, wil met mensen meegaan, hun leven lang.

Mensen hebben soms een vriendin of vriend vanaf de opleiding of zelfs de lagere school.

Je hebt dan veel samen meegemaakt, de ander kan je goed aanvoelen. Zo’n vriendschap is veel waard. In overtreffende trap is God die met mensen meetrekt, vanaf de doop of vanaf de moederschoot (Psalm 139) ook een: ‘Vriend voor het leven’.

De vertaling van Oosterhuis in Psalm 107 en 118 gaat terug op wat in de Statenvertaling wordt beschreven als ‘zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’. Die goedertierenheid houdt ook in: actief opkomen voor elkaar, weldadigheid doen. En dan ligt het woordje ‘vriendschap’ dichtbij. Pieter Oussoren vertaalt in de Naardense Bijbel die goedertierenheid dan ook consequent met ‘vriendschap’.

Het woordje ‘eeuwigheid’ uit Psalm 107 en 118 is door Oosterhuis teruggebracht naar menselijke maat: Vriend ‘voor het leven’, voor heel het leven, dat is royaal genoeg.

De theoloog H.M. Kuitert heeft eens een mooie omschrijving gemaakt voor de langdurige band tussen mensen en God, waarin hij een stukje verder gaat:

“Vriendschap met de Eeuwige

is eeuwige vriendschap.”

Oftewel: De verbondenheid met deze bijzondere God, is een vriendschap van eeuwige kwaliteit, die ook in tijd eeuwig duurt, nog voorbij onze levenstijd.

God, niet alleen als de Heilige, maar ook als Vriend voor heel het leven, en verder,

ik reik het graag aan als beeld om in gedachten te houden.

A. Bruin 


IN DE ZON

In de zomer kunnen er aangename dagen zijn, met lang daglicht, een temperatuur die uitnodigt om buiten te zijn, met genieten van de zon.

In de Bijbel zinspeelt Psalm 19 op zulke dagen:

De zon trekt als een bruidegom uit zijn tent en gaat zijn loop langs de hemelboog (vs. 5-6).

De hemel laat de glorie van God zien (vs. 2).

Op die dagen als een mens overdag in de zon loopt, of als hij laat in de avond opkijkt naar de sterren, lijken de dag en de nacht iets te vertellen aan de mens (vs. 3).

Maar wat zeggen ze? Wat vertellen warme zomerdagen? Laten ze iets zien van wat van verder weg komt? Delen ze een geheim mee? Openbaren ze een verbondenheid tussen mens, aarde, sterren, en heel de kosmos?

In de psalm wordt de vraag niet beantwoord, maar blijft deze staan: Dag en nacht zeggen wel iets, gebruiken een taal, maar het zijn geen herkenbare woorden (vs. 4-5),

In de psalm staat de zon in het middelpunt. De zon trekt langs de hemelkoepel. In de loop van één dag valt het licht op alle delen van de aarde. Niets wordt door het licht niet aangeraakt. De psalm benadrukt dit. Het licht van boven valt op íeder.

En wat eerder in het donker lag, komt door de zon aan het licht (vs. 6-7).

In de psalm wordt dit alles met verwondering gade geslagen.

Dan komt er een overgang naar het tweede deel van de psalm (vs. 8). Zoals de zon zijn baan trekt over alles op aarde en zijn licht laat schijnen op alles, zó hebben de woorden van God betrekking op alle dingen op aarde, de mens, werk en vrije tijd, de schepping, kortom het hele leven. Op al die dingen laten de woorden van God licht vallen van bovenaf.

De Wet van God (de Torah, met verhalen, en aanwijzingen) verheldert de dingen op aarde. En zoals de zon mensen energie geeft en vreugde, zo geven de woorden van God aan mensen levenskracht en wekken ze een gevoel van dankbaarheid op.

Wat eerst in het donker lag, in het verborgene gebeurde (vs. 13), door droefheid of door zondig handelen, wordt met licht aangeraakt, tot leven gewekt, en in het daglicht geroepen.

Door het licht van de Torah van God wordt een mens aangezet om voluit te gaan leven, om ‘volmaakt’ (vs. 8 en 14) te worden.

Gebruikt het tweede deel van de psalm over de Wet, nu het eerste deel over de zon alleen maar als opstapje? Ik denk het niet. Het ervaren van het zonlicht, het bewust zijn van de nacht met de sterren en van het daglicht hebben wel degelijk hun waarde. Er wordt iets in gezegd, het is taal. Maar die taal is pas te verstaan, als gezien wordt dat juist de woorden van Gód over het hele leven gaan en over heel de schepping. De aarde is een plaats, door God aan de schepselen gegeven om daar samen te leven en om af en toe te genieten.

Daarbinnen speelt de zon zijn rol, de zon die volgens Genesis 1 als een lamp door God is opgehangen (Gen. 1: 16). De zonlicht en de sterren weerspiegelen de glorie van God (vs. 2). En het genieten van het licht van de zon is te ervaren als het ontvangen van een teken van de goedheid van een liefdevolle God.

Een mooie zomer is daarom te beleven als een voorbode en bevestiging van wat deze God ons nog meer wil geven: “Eens komt de gróte zomer” (LB 747). En op de uiteindelijke aarde valt de zon in het niet bij het licht dat God zelf voor de mensen zal zijn (Openbaring 22: 5).

Zo heeft het licht van de zon veel te ‘vertellen’ (vs. 2-5). Als deze zomer de zon schijnt, en u hebt een rustig moment, op het balkon, in de tuin, op de vakantieplek, is er misschien de gelegenheid om te luisteren naar het verhaal van het zonlicht.

A. Bruin


KOM SCHEPPER, GEEST

Er zijn vele liederen voor het Pinksterfeest. Eén van de oudst bekende is ‘Kom Schepper, Geest’, in het Latijn ‘Veni Creator Spiritus’, uit de 9e eeuw.

Het lied wordt niet alleen gebruikt op Pinksteren, maar ook bij de wijding van priesters, opening van synodes, kiezen van een nieuwe paus, kroning van koningen.

In het Liedboek (2013) is het te vinden als lied 360. Wat zegt dit lied over de heilige Geest?

1. Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer,

houd Gij bij ons uw intocht, Heer;

vervul het hart dat U verbeidt,

met hemelse barmhartigheid.

Het eerste wat over de Geest wordt gezegd, is dat deze Schepper is. De Geest roept tot leven wat er nog niet was. Dat sluit aan bij de eerste verzen van de Bijbel: “De Geest zweefde over de wateren.” Waar een gebied voor mensen nog onoverzichtelijk, doods is, gaat de Geest al aan het werk. De Geest laat in de levens van mensen en in de kerk nieuwe mogelijkheden zien, waar we zelf niet op gekomen waren. De Geest trekt dingen vlot, maakt openingen naar de toekomst, baant nieuwe wegen.

Het lied is een lofzang, maar in zekere zin ook een smeekbede. Want er klinkt in door, dat wij mensen het niet op eigen kracht redden. Onze geest is niet moedig, krachtig, genoeg. We zijn zelf niet voldoende creatief. Daarom ontstaat de bede om een ándere geest, van elders: “kom Schepper Geest”.

4. Verlicht ons duistere verstand,

geef dat ons hart van liefde brandt,

en dat ons zwakke lichaam leeft

vanuit de kracht die Gij het geeft.

Deze Geest komt tot mensen, maar is niet grijpbaar, niet vast te houden, is vluchtig. Je kunt het ook zeggen: Deze heilige Geest laat zich niet misbruiken in mensenhanden en blijft vrij. Deze niet grijpbare Geest is echter niet onbekend. Hij is niet één van de vele geesten die op aarde rondwaren en mensen allerlei kanten op willen blazen, om er zelf beter van te worden. De heilige Geest komt ergens van vandaan en heeft iets goeds voor ogen.  

6. Doe ons de Vader en de Zoon

aanschouwen in de hoge troon,

o Geest, van beiden uitgegaan,

wij bidden U gelovig aan.

De Geest van Pinksteren komt van de Vader en de Zoon vandaan. Het werk van de Geest ligt in het verlengde van wat Vader en Zoon doen.

Deze Geest werkt op aarde in kleine stappen en soms grotere doorbraken aan een nieuwe wereld waar de Vader en de Zoon op gericht zijn.

Daarbij vraagt de Geest aan mensen om mee te werken. In dat proces raken we meer vertrouwd met het werk van de Vader en de Zoon, leren we hen kennen, ‘aanschouwen’ we hen. De Geest werkt om de hemelse werkelijkheid van de Vader en de Zoon op aarde vaste voet aan de grond te laten krijgen. Het lied loopt er op uit, dat wij om alles wat de heilige Geest doet, deze Geest van Pinksteren zullen aanbidden.  

A. Bruin


LANG NA DE OORLOG

Als deze Voetstappen in de bus valt, is het 5 mei of kort daarop. De boeken en films over

de Tweede Wereldoorlog zijn er allemaal nog, maar het aantal overlevenden wordt minder. Daar sluit het gedicht ‘Einde en begin’ (1993) bij aan, van de Poolse dichteres Wisława (uitspraak: Wiswawa) Szymborska (1923-2012), waarvan hieronder een deel staat afgedrukt:

Na elke oorlog

moet iemand opruimen.

Min of meer netjes

wordt het tenslotte niet vanzelf.

Iemand moet het puin

aan de kant schuiven

zodat de vrachtwagens met lijken

door kunnen rijden…

Iemand moet een balk aanslepen

om de muur te stutten,

iemand het glas in het raam zetten,

de deur in de hengsels tillen…

Met een bezem in de hand

vertelt iemand nog hoe het was.

Iemand luistert en knikt

met een nog niet afgekletst hoofd.

Maar om hen heen

duiken al gauw lieden op

die het begint te vervelen…

Zij die wisten

waarom het hier ging,

moeten wijken voor hen

die weinig weten.

En minder dan weinig.

En tenslotte zo goed als niets…

In het gedicht verflauwt de herinnering aan de feiten van de oorlog, vermindert de interesse, en vervaagt de kennis.

“Zij die wisten waarom het hier ging”: Dat lees ik niet als kennis van oorlogshandelingen, maar als kennis van dat waarvoor gevochten werd, wat voor ‘geestelijke’ strijd gaande was. Dat het ging om een strijd tegen een regiem, dat onderdanen verbood om te zijn wie je bent (als jood of anderszins), om zelf na te denken, je gedachten en gevoelens vrij te uiten.

De Tweede Wereldoorlog en de bevrijding in het heden ‘gedenken’ (als bijbelse term) is nodig om alert te blijven tegen uiteenlopende nieuwe vormen, waarin de vrijheid van groepen van mensen onder druk wordt gezet. Of zoals de 18e eeuwse joodse wijsheidsleraar,

de Ba’al Sjem Tov (de Meester met de Goede Naam), schreef:  

Vergeten leidt tot (nieuwe) ballingschap,                             

gedenken is het geheim van de verlossing.

A. Bruin


ZEVEN KRUISWOORDEN

Alle vier de evangeliën verhalen de kruisiging van Jezus, zijn sterven en opstanding.

Ze melden ook woorden die Jezus heeft gesproken terwijl hij aan het kruis hing.

In de kerkelijke traditie zijn die woorden uit de verscheidene evangeliën bij elkaar gezocht. Het bleken er precies zeven te zijn! Zeven, het getal van volledigheid.

Laatste woorden die iemand spreekt kunnen voor wie rond de stervende zijn een geladen betekenis hebben.

Zo is het ook in de evangeliën. In de laatste woorden van Jezus wordt zijn leven samengevat, zijn levenshouding, en ook zijn verwachting.

In de kerkelijke traditie zijn die zeven woorden gezet in een volgorde die past als de vier evangeliën in elkaar geschoven worden.

1. Jezus over de Romeinse soldaten: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen” (Lk. 23: 34).

2. Jezus tot zijn moeder Maria en de discipel Johannes over de ander: “Vrouw, zie: uw zoon” en “zie: je moeder” (Joh. 19: 26-27).

3. Jezus tot één van de misdadigers naast hem: “Vandaag zul je met mij in het paradijs zijn” (Lk. 23: 43).

4. Een schreeuw van Jezus tot God: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten”

(Mt. 27: 46).

5. Een uitroep van Jezus: “Ik heb dorst” (Joh. 19: 28).

6. Een uitroep van Jezus vlak vóór het sterven: “Het is voleindigd” (Joh. 19: 30).

7. Bede van Jezus bij het sterven: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest” (Lk. 23: 46).

In de kruiswoorden komen verschillende dingen tot uiting.

Er is de klacht (woord 4 en 5), voor de hand liggend in deze situatie.

Maar de woorden kijken ook terug op het leven van Jezus: Wat hij eerder heeft gedaan is nu volbracht, voltooid, of letterlijk: tot zijn voleinding gekomen (woord 6).

Er is een overgave aan God bij het sterven (woord 7).

En er wordt vooruitgekeken op aarde: Maria en Johannes zullen er voor elkaar zijn

(woord 2), het begin van de kerk wordt daarmee al aangeduid.

Drie van de zeven woorden komen uit de psalmen. Met de psalmen heeft Jezus geleefd.

Ze gaan met hem mee tot aan de grens van het sterven. De psalmwoorden spreken over verlatenheid én het loven van God (woord 4, Ps. 22, ook vanaf vs. 23), over het water dat bij God te vinden is (woord 5, vgl. Ps. 42: 3), en over overgave (woord 7, Ps. 31: 6 “want Gij verlost mij”). In de Psalmen is er steeds de klacht, maar die klacht wordt gedragen door vertrouwen en gaat over in verwachting.

Deze laatste woorden sluiten een leven af, maar wijzen ook vooruit: voor Jezus zelf (woord 4, 5, 7), voor de misdadiger (woord 3), voor Maria en Johannes (woord 2).

Zo wijzen de woorden voorbij aan de dood.

Ik voeg daarom aan de zeven woorden van Goede Vrijdag een 8e woord toe, van de Paasmorgen, als Maria van Magdala bij het graf wordt aangesproken met een kort maar alles zeggend woord van Jezus: “Maria” (Joh. 20: 16).

De woorden aan het kruis, de psalmwoorden, zijn opgestaan,

ze klinken, ze spreken een mens aan bij de eigen naam, ze zeggen toekomst toe.

A. Bruin


DE KUNST VAN HET LUISTEREN

Er komen verkiezingen aan voor de Tweede Kamer. Debatten worden georganiseerd. Het hoort bij het politieke spel dat de diverse partijen dan hun onderlinge verschillen uitvergroten. Ze willen zich namelijk van elkaar onderscheiden, ook al zullen sommige van die partijen na de verkiezingen weer samen moeten werken. Het hoort ook bij campagnes dat partijleiders wel eens uit de bocht vliegen, dingen zeggen die ze niet kunnen verantwoorden.

De toon kan soms echter ook dusdanig hard worden, dat het debat in wezen tot een einde komt. Wanneer politici stellen dat hun tegenstanders onzin verkopen en dat ze hen niet serieus hoeven nemen, lost het onderling gesprek op en rest alleen nog lege stilte. Dat is in zekere zin ook weer een gemakkelijke positie: je hebt natuurlijk zelf gelijk en naar de ander hoef je niet meer te luisteren.

Meer in het algemeen heb ik de indruk, dat er in onze samenleving minder goed geluisterd wordt. Het luisteren naar andere meningen lijkt te veel inspanning te gaan kosten. Er is een neiging tot een houding als: het moet gewoon gaan, zoals ik het wil, klaar.

Ik herinner me een poster die in een klaslokaal op mijn middelbare school hing:

Als niemand

luistert

naar niemand

vallen er doden

in plaats van

woorden.

De tekst is van Jana Beranová, een Nederlandse dichteres, afkomstig uit Tsjechië. Ik vond het toen al een intrigerende tekst, en ik vrees dat de tekst ook letterlijk in vervulling kan gaan.

In een kerkelijke gemeente bestaan uiteenlopende opvattingen over geloven. Ook over politiek wordt verschillend gedacht. En dat mag. Er lopen meestal geen rechtstreekse lijnen van Bijbel of traditie naar bepaalde politieke standpunten of partijen.

Een kerk is een plek waar het gebruik bestaat om wél naar elkaar te luisteren. Luisterend naar elkaar ga je meer kanten van het geloof verstaan, krijg je elkaars situatie in beeld, kun je elkaar verder helpen. Samen kun je ook maatschappelijk en politieke thema’s afwegen.  

Het luisteren naar elkaar in een kerk gaat terug op een ander luisteren, een luisteren naar de woorden van de Bijbel. Door deze woorden met gezag kunnen we onze eigen eerdere opvattingen laten bijsturen.

De houding om te luisteren naar de Bijbel komt weer voort uit het besef, dat God zelf tot ons wil spreken. Er is een stem boven ons, die het gesprek met ons zoekt, die onze (ook maatschappelijke en politieke) zorgen hoort, en die al doende een nieuwe leefbare en veilige wereld wil scheppen voor allen.

Als we openheid vinden om naar God te luisteren, wordt de stap kleiner om te luisteren naar mensen om ons heen, in kerk en wereld. Ook als wij ons niet geheel in de ander herkennen, zou in hem of haar toch wel eens een beetje de stem van God mee kunnen klinken.

Het luisteren verbindt zo mensen met God en met elkaar. Luisteren kun je een grondhouding van het christelijk geloof noemen. En het lijkt me dat het de samenleving ten goede zou komen, als ook daar de kunst van het luisteren wat meer beoefend zou worden.

A. Bruin


WAAROM DE BIJBEL LEZEN?

Waarom zou je uit de Bijbel lezen? Het is gebruikelijk in een kerkdienst. Het kan gebruik zijn thuis, wel of niet met een bijbels dagboekje daarnaast. Of dat gebruik kan verdwenen zijn.

Deze vraag kan opkomen, omdat de bijbelse teksten vele eeuwen geleden zijn geschreven.

Wij leren zelf tijdens ons leven, hebben eerst bepaalde opvattingen, stellen ze bij, door wat we meemaken en doordat we over dingen nadenken. Onze gedachten staan niet stil, passen zich aan. Hoe zou de ‘waarheid’ dan gestold kunnen zijn in vaste woorden van zo’n 2000 jaar geleden.

De cultuur van de bijbelse tijd was anders dan de onze. Daardoor zijn allerlei thema’s die in het heden spelen niet terug te vinden in de Bijbel. In de Bijbel zijn geen verhalen of beschouwingen te vinden over grote aantallen mensen op de vlucht, over de vraag hoe om te gaan met grote hoeveelheden e-mail die binnenkomen, over keuzes in economie en politiek, over rolverdeling van man en vrouw in gezin en maatschappij, over de vraag of je wel of niet goedkope producten moet aanschaffen die onder slechte arbeidsomstandig-heden zijn gemaakt. Hooguit is in de Bijbel een aanzet tot mogelijke antwoorden te vinden.

Moet de Bijbel niet aangevuld worden, met een soort ‘3e testament’ voor nu, dat vervolgens ook weer af en toe vernieuwd wordt?

De Bijbel geeft geen gedetailleerde antwoorden op moderne vragen, en die moeten we er ook niet kant en klaar uit willen halen.

De Bijbel gaat wél in op de grotere levensvragen, waar elke generatie opnieuw voor komt te staan, en die door de eeuwen heen dezelfde blijven. Dat zijn vragen zoals:

- waartoe leef ik, waar richt ik me op, kan ik een doel voor mijn leven zien;

- wat is goed en wat is kwaad, en waar gaat het één over in het ander;

- welke machten of goden hebben invloed in de wereld en in mijn leven;

- wat is het eigene van de God van Abraham, Mozes en Jezus, naast de andere goden;

- wanneer wordt het leven doods en hoe kom je door die dood heen tot ‘opstanding’;

- wat maken leven en sterven van Jezus duidelijk en wat is de boodschap van Pasen;

- wat is het uiteindelijke perspectief voor de volken op aarde ondanks hun soms hevige strijd.

Deze wezenlijke vragen van het menselijk leven op aarde komen tot uitdrukking in een veelheid aan verhalen, spreuken en voorschriften in de Bijbel.

De Bijbel geeft dan wel geen antwoord op alle uiteenlopende moderne vragen, maar geeft een houvast in vele, en misschien wel alle, wezenlijke vragen van het leven.

De Bijbel biedt geen directe antwoorden, maar reikt wel noties, uitgangspunten, aan, zoals:

medemenselijkheid (broederschap), rechtvaardigheid, barmhartigheid, zorg voor de schepping, je verantwoordelijk weten ten opzichte van God, de vrijheid van een kind van God, en als centrale notie de liefde. Met die noties kan bij veel moderne vragen toch wel min of meer duidelijk worden wat goed, heilzaam is om te doen, en wat niet.

En al pratend met andere gelovigen of mensen met inzicht kunnen je gedachten verder vorm krijgen.

De Bijbel geeft inderdaad niet antwoord op alle hedendaagse vragen, maar helpt ons wel beslissend op weg, een goede weg. Daarmee trekken wij de bijbelverhalen door in onze tijd.

En zo gaat het bijbelse verhaal verder.

A. Bruin