Artikelindex

VERLANGEN

Geloven heeft iets vreemds. Het is je richten op iets, op iemand, die je niet direct waarneemt. Het is verder tussen je tijdgenoten in verkeren, en toch ook anders zijn dan zij.

Die spanning komt naar voren in het onderstaande gedicht van Ida Gerhardt, uit de bundel ‘Het Sterreschip’ (1979) en opgenomen in de Verzamelde Gedichten (p. 564).

Onder vreemden

Het speelt het liefste ver weg op het strand,

het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,

die overzee is in dat andere land.

Het woont bij vreemden en het went er niet.

Zij fluisteren erover met elkaar.

heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.

En altijd denkt het dat hij komen zal:

vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht -

en droomt van hem en roept hem in de nacht.

Ik wacht u, Vader van de overwal.

We zien in het gedicht een kind spelen op het strand, met de zee op de achtergrond, een plaatje van de afgelopen zomer. Aan het eind van het gedicht herkent echter de ik-figuur zichzelf in dat kind: ík wacht u.

Er klinkt in het gedicht een verlangen naar een ander, een vader. Maar de vader lijkt ver weg, achter de zee, in een andere wereld. Zo kan er in het geloven een zoeken, een zuchten zijn naar God, maar er zijn geen tekenen van zijn komen. De gelovige staat alleen.

Daarnaast woont de gelovige samen met andere mensen (strofe 2), werkt met hen samen, verkeert in dezelfde samenleving. Maar door dat verlangen naar de vader is er toch een andere houding. In sommige gedachten en handelingen van anderen, in ontwikkelingen in de maatschappij, kan de gelovige niet zo maar meegaan. Het kind ‘went er niet’, want het weet van ‘dat andere land’. En andersom kunnen andere mensen het kind niet plaatsen, het is hun vreemd. Zo is de gelovige op nog een tweede manier alleen.

Is het verlangen naar de vader een tevergeefs uitzien? Het gedicht spreekt over ‘heimwee’. Dat is een verlangen naar waar je vandaan komt, naar het huis waar je uit stamt. De vader is niet onbekend. Een gelovige kent hem van verhalen die verteld worden over de vader, ja van eigen momenten in het eerdere leven. Het kind lijkt nu wel alléén op het strand, maar het weet van de werkelijkheid van de vader, het weet hoe de vader is.

Daarom kijkt het kind vooruit, het is ‘altijd’ op de vader gericht, rekent op hem, verwacht hem, dag en nacht. Het is geen bang, maar een hartstochtelijk verlangen. Het gedicht sluit dan ook krachtig af: ik wacht op u, de Vader (nu met hoofdletter) die, vanaf de overkant komen zál, ‘onverwacht’, hoe en wanneer dan ook, want dat blijft het geheim van de Vader.

En als de Vader komt in het leven van het kind, dan kan het kind met vreugde zijn taken opnemen te midden van de andere mensen, om hier al iets zichtbaar te maken van dat andere land. En iets van die vreugde zal van het kind afstralen in zijn omgeving.

Je kunt dit gedicht zien als een stimulans om met vertrouwen uit te zien naar de Vader.

A. Bruin