Artikelindex

WAAR BEGINT EN EINDIGT DE KERK?

Het kleiner worden van de kerk baart zorgen: wat kan nog gedaan worden en wat niet.

Er is ook een positieve keerzijde: De ontwikkeling dwingt tot nadenken. Als we niet alles meer kunnen, wat is dan de functie van een kerk in de plaatselijke omgeving?

Je kunt een kerk zien als een organisatie met leden, namelijk doopleden en belijdende leden, en daarnaast nog andere categorieën van de ledenadministratie. En voor die leden verzorgt de kerk activiteiten. Dan is de kerk een soort vereniging. Wie van buiten af een keer mee wil doen is uiteraard welkom, maar het lidmaatschap vormt de buitengrens van de gemeente.

Je kunt ook op een andere manier kijken. De vraag is dan: Wat is het eigene van een kerk, wat onderscheidt de kerk van andere organisaties?

Als je de kerk voorstelt als een cirkel, een schijf, dan vinden we in het centrum de typische elementen van een kerk: de bijbelse verhalen over mensen die optrekken met God; het leven van Jezus, zijn sterven en opstanding; de liturgie met woord, lied, stilte en de symbolische handelingen van doop, delen van brood en wijn, als tekenen van vertrouwen en hoop.

Tot dat centrum hoort ook een bepaalde manier van staan in de wereld, een houding van barmhartigheid, geleerd van de bijbelse verhalen. En er is het besef dat de Geest van God wil werken in een kerkelijke gemeente en dat déze haar levend houdt. Het hart van de kerk wordt dan niet gevormd door de leden maar door het verhaal van God.

In de schijf rondom dat middelpunt organiseert de kerk uiteenlopende activiteiten: pastorale bezoeken, gezellige bijeenkomsten, koorrepetities, een filmavond, een fietstocht, een gespreksavond over een ethisch onderwerp, een hulpactie voor vluchtelingen.

De activiteiten kunnen een bijbelse invulling hebben of gaan over bredere levensvragen. In het christelijk geloof gaat het namelijk over het hele leven, persoonlijk en maatschappelijk.

Voor wie organiseert de kerk deze dingen? In de evangeliën zien we steeds een wisselende groep rondom Jezus: 12 mannelijke apostelen en een aantal vrouwen als kern, een bredere groep leerlingen die er vaak, maar niet altijd is, en af en toe een losse nog grotere groep, de menigte of schare. Bij de uittocht uit Egypte trekt met het volk Israël mee ‘een grote groep mensen van allerlei herkomst’ (Ex. 12: 38). Zij delen waarschijnlijk niet alle opvattingen van het geloof van Israël, maar voelen er zich wel mee verwant. In de Bijbel is de geloofsgemeenschap dus niet precies afgegrensd.

Het Evangelie is een boodschap van liefde voor heel de wereld. De vraag wordt dan: wat kan de rol van de kerkelijke gemeente in het dorp zijn, niet in de eerste plaats om er zelf beter van te worden, maar om verantwoordelijkheid te nemen voor de omgeving, en om mensen iets aan te bieden dat van belang kan zijn voor hun leven.

Zo gezien zijn de activiteiten van de kerk in principe voor iedereen die belangstelling heeft, lid of geen lid. En ook wie van buitenaf mee wil doen in het opzetten en uitvoeren van bepaalde taken kan een bijdrage leveren.

De buitenste cirkel van de schijf is nu geen gesloten lijn, maar een stippellijn. De kerk is principieel open naar buiten toe. Mensen die iets hebben met de strekking van bijbelse verhalen, met rituelen, die gevoelig zijn voor levensvragen, die van kunst houden, die anderen behulpzaam willen zijn, kunnen aan één of meer activiteiten deel nemen, zonder dat ze alle opvattingen en gebruiken van de kerk hoeven te onderschrijven.

Belangrijk is wel dat de activiteiten verbonden blijven met het middelpunt van de kerk, anders vervaagt een kerk tot een algemene levensbeschouwelijke of sociale organisatie.

Dit alles vraagt een andere manier van kijken naar de kerk. En het vraagt een gastvrije houding naar wie van buiten af mee wil doen. Gemeente-zijn in onze tijd wordt nog een spannend gebeuren!

A. Bruin


VOORUITZICHT

De dichter Tom Naastepad maakte op basis van Openbaring 22: 1-5 het onderstaande lied, met beelden van verwachting, passend aan het eind van het kerkelijk jaar. / A. Bruin

Ik zag een wonderlijke stroom

van zuiver water in mijn droom;

het bruiste in een stad van goud:

een stroom van leven en behoud.

En met haar druppels van kristal

bracht zij verkwikking overal;

ik zag de bron waaruit zij kwam:

de troon van God en van het Lam.

Toen zag ik op het grote plein,

waar ook de vele mensen zijn,

zoals het was in het begin:

de boom des levens middenin.

Die goede boom gaf goede vrucht,

daar werd van maand tot maand geplukt,

twaalf keren was het, welgeteld:

zo bloeit de stam van Israël.

O stad van vrede en van lust,

waar al de toorn is uitgeblust,

geen wet is tegen u gekeerd,

en daar is geen vervloeking meer.

Geen hoge raad en geen gericht

weerstaan ons in het aangezicht,

want waar God troont is ook het Lam,

dat dood en oordeel op zich nam.

Zo mogen al de knechten vrij!

Goeden en slechten, zij aan zij,

gaan opgetogen door de poort:

zij groeten God en doen zijn Woord.

Al doende zien zij ’t witte licht

dat uitstraalt van zijn aangezicht

en op hun voorhoofd blinkt zijn Naam

‘Immanuel’ in alle taal!

O volk dat vredelievend lacht,

daar komt geen avond meer, geen nacht,

dat gij met lampen door de straat

bang uitziet naar de dageraad.

Want ’s Heren woord is in uw mond

en God is goud, is morgenstond,

gij zult regeren, en voortaan

zal nooit de zon meer ondergaan!


VERLANGEN

Geloven heeft iets vreemds. Het is je richten op iets, op iemand, die je niet direct waarneemt. Het is verder tussen je tijdgenoten in verkeren, en toch ook anders zijn dan zij.

Die spanning komt naar voren in het onderstaande gedicht van Ida Gerhardt, uit de bundel ‘Het Sterreschip’ (1979) en opgenomen in de Verzamelde Gedichten (p. 564).

Onder vreemden

Het speelt het liefste ver weg op het strand,

het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,

die overzee is in dat andere land.

Het woont bij vreemden en het went er niet.

Zij fluisteren erover met elkaar.

heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.

En altijd denkt het dat hij komen zal:

vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht -

en droomt van hem en roept hem in de nacht.

Ik wacht u, Vader van de overwal.

We zien in het gedicht een kind spelen op het strand, met de zee op de achtergrond, een plaatje van de afgelopen zomer. Aan het eind van het gedicht herkent echter de ik-figuur zichzelf in dat kind: ík wacht u.

Er klinkt in het gedicht een verlangen naar een ander, een vader. Maar de vader lijkt ver weg, achter de zee, in een andere wereld. Zo kan er in het geloven een zoeken, een zuchten zijn naar God, maar er zijn geen tekenen van zijn komen. De gelovige staat alleen.

Daarnaast woont de gelovige samen met andere mensen (strofe 2), werkt met hen samen, verkeert in dezelfde samenleving. Maar door dat verlangen naar de vader is er toch een andere houding. In sommige gedachten en handelingen van anderen, in ontwikkelingen in de maatschappij, kan de gelovige niet zo maar meegaan. Het kind ‘went er niet’, want het weet van ‘dat andere land’. En andersom kunnen andere mensen het kind niet plaatsen, het is hun vreemd. Zo is de gelovige op nog een tweede manier alleen.

Is het verlangen naar de vader een tevergeefs uitzien? Het gedicht spreekt over ‘heimwee’. Dat is een verlangen naar waar je vandaan komt, naar het huis waar je uit stamt. De vader is niet onbekend. Een gelovige kent hem van verhalen die verteld worden over de vader, ja van eigen momenten in het eerdere leven. Het kind lijkt nu wel alléén op het strand, maar het weet van de werkelijkheid van de vader, het weet hoe de vader is.

Daarom kijkt het kind vooruit, het is ‘altijd’ op de vader gericht, rekent op hem, verwacht hem, dag en nacht. Het is geen bang, maar een hartstochtelijk verlangen. Het gedicht sluit dan ook krachtig af: ik wacht op u, de Vader (nu met hoofdletter) die, vanaf de overkant komen zál, ‘onverwacht’, hoe en wanneer dan ook, want dat blijft het geheim van de Vader.

En als de Vader komt in het leven van het kind, dan kan het kind met vreugde zijn taken opnemen te midden van de andere mensen, om hier al iets zichtbaar te maken van dat andere land. En iets van die vreugde zal van het kind afstralen in zijn omgeving.

Je kunt dit gedicht zien als een stimulans om met vertrouwen uit te zien naar de Vader.

A. Bruin


DE LANGSTE REIS

In de zomertijd trekken veel mensen naar andere plekken: bos, zee, bergen, nieuwe steden. Door de dingen die je daar ziet en de mensen die je ontmoet, doe je nieuwe ervaringen op, wordt je kennis groter, je blik breder.

Dag Hammerskjöld (1905-1961), van 1953 tot zijn dood secretaris-generaal van de Verenigde Naties, maakte graag bergtochten. Zijn dagboek ‘Merkstenen’, dat na zijn dood werd gevonden en allerlei gedachten bevat, heeft trekken van een reisverslag.

De eerste aantekening, rond 1925, luidt:

Verder word ik gedreven,

een onbekend land in.

De grond wordt harder,

de lucht prikkelender, kouder.

In de laatste aantekening, augustus 1961, staat:

Tweemaal was ik op de kammen,

woonde ik bij het binnenste meer

en volgde ik de stroom

naar de bronnen.

De seizoenen wisselden

en het licht

en het weer

en het uur.

Maar dit is hetzelfde land.

En ik begin de kaart te kennen

en de windstreken.

Hammarskjöld hield van reizen, maar juist daardoor was hij zich ook bewust geworden van een ander soort reis. In 1950 schrijft hij in zijn dagboek:

De langste reis

is de reis naar binnen.

Hammarskjöld was opgegroeid in een luthers gezin in Zweden. Hij worstelde jarenlang met vragen hoe hij zijn leven een doel kon geven, hoe hij om kon gaan met eenzaamheid, wie hij was, of hij een roeping had. En hij besefte: je kunt reizen naar de bergen; maar een reis, waarbij je afdaalt in jezelf, waarin je je eigen angsten, tekorten en verlangens in beeld krijgt, die reis vergt veel meer van je. De afstand lijkt kort, maar zo’n reis duurt jarenlang.

Het vraagt moed. Je moet naar jezelf kijken, en nog eens uit een andere hoek, tot het beeld langzaam scherper wordt: wie ben ik, wie kan ik worden, wat kan ik betekenen voor anderen?

Een reis maken kan prettig zijn. Alleen al een andere omgeving maakt gedachten los.

Ervaringen, ontmoetingen en gesprekken tijdens de reis kunnen je tevens stimuleren om een stukje af te dalen in jezelf.

Dan draagt de uiterlijke reis bij aan een innerlijke reis.

Voor die innerlijke reis is het overigens niet noodzakelijk om van huis te gaan.


DE WERELD VAN OUDE JEUGDBOEKEN

Onlangs las ik twee oude jeugdboeken van de protestants-christelijke schrijver W.G. van de Hulst: ‘Ouwe Bram’ (1909) voor kinderen van een jaar of 11 en ‘Het wegje in het koren’ (1929) voor jongere kinderen. Bij lezing wordt duidelijk hoeveel er veranderd is in 100 jaar. In de boeken van Van de Hulst was er nog een overzichtelijke wereld. De verhaalfiguren leven in een klein dorp, waar iedereen elkaar kent. De centrale personen in het dorp zijn de politie-agent, de burgemeester en de dominee. Deze drie bewaken de goede zeden en de orde in het dorp. Kinderen en jongeren beleven spannende avonturen (Van de Hulst kan zeker goed vertellen), halen kattenkwaad uit, maar worden door ouders en de gezagsdragers op het rechte spoor gebracht. Kenmerkend is dat in ‘Het wegje in het koren’ wel vijf keer aan een meisje gevraagd wordt of ze een ‘lief en gehoorzaam meisje’ is geweest. En nadat ze iets verkeerds heeft gedaan belooft ze dat ze het ‘nooit, nooit meer’ zal doen.

We zijn nu 100 jaar verder. Er is geen stilstaande algemene orde meer in een plaatselijke samenleving, waar kinderen in worden ingeleid. Kinderen leven nu in een beweeglijke wereld en worden aangespoord om zelf dingen te ontdekken, grenzen te verleggen, voorkeuren te ontwikkelen, een eigen positie in te nemen. Je kunt naar het dorp van Van de Hulst kijken met nostalgie of met een zucht dat dat er nu wel heel ouderwets uitziet, maar hoe dan ook, die tijd is voorbij.

Enkele dingen troffen me bij het lezen. 1) In ‘Ouwe Bram’ krijgt een jongen een gulden van een dief, op voorwaarde dat hij zijn mond houdt over de diefstal van de ander. De jongen voelt de gulden vervolgens branden in zijn zak. Hij krijgt een schuldgevoel, kan daar niet mee leven, en biecht het verkeerde op. Ik zie in onze tijd politici en inhakken op tegenstanders zonder een moment eigen falen te willen erkennen. En ik zie mensen die onrechtmatig miljoenen naar zich toe halen met een fraai verhaal hun overtreding wegpraten. Iets meer van dat schuldgevoel van Van de Hulst zou weldadig zijn in onze samenleving.

2) De echte veranderingen bij de hoofdpersonen vinden plaats in het gebed. De kinderen bidden aan het eind van de dag geknield bij hun bed, overdenken de dag, erkennen hun fouten, vragen vergeving, zeggen toe God beter te willen dienen en maken dan nieuwe keuzes. Ouwe Bram die steeds zo haatdragend was tegenover de jongens in het dorp maakt aan het eind van zijn leven een ommekeer mee, en als hij sterft staat er: “Een wonder-heerlijke vrede daalde in Brams hart, als legde nu de Heiland zelf zijn hand op het hoofd

van de oude.” Ik denk dat het nog steeds een groot verschil maakt, of je je bij je daden verantwoordelijk weet tegenover iemand boven je, iemand die je kunt vertrouwen; of dat een mens alles op eigen kracht moet doen, geen richting van hogerhand ontvangt, met het risico dat eigen belang het hoogste goed wordt.

3) In ‘Het wegje in het koren’ vertrappen de meisjes Toos en Tineke onbewust het koren waar ze door heen lopen. De verteller schrijft: “En de arme aren bukken, en knakken,

en kunnen niet meer opstaan… o, dat mooie koren.” Als Toos thuisgekomen is, zegt

de grootvader tegen haar: “Je mag ook niet in het koren lopen. Dat mooie koren hebben

de mensen van God gekregen.” Ik lees berichten over grootschalige olievervuiling in Nigeria, over personen die beweren dat klimaatverandering helemaal bestaat, ondanks alle tekenen. Wat meer van de eerbied van Van de Hulst voor de schepping zou de wereld ten goede komen.

De boeken van W.G. van de Hulst zijn in allerlei opzichten gedateerd, die wereld is voorbij.

Maar sommige van de eenvoudige waarden in die boeken kun je tijdloos noemen. Ze wijzen kinderen, volwassenen en een samenleving een weg naar een goed en eerlijk leven met elkaar. Het zijn boeken uit het verleden, maar ze tekenen toch ook de contouren van een rechtvaardige toekomst, van Gods toekomst.

A. Bruin.


VOORJAAR

Een nieuw jaar begint in onze cultuur op 1 januari, maar diverse andere tradities laten een nieuw jaar aanvangen in het voorjaar.

Daar is veel voor te zeggen. Als bomen groener worden, struiken uit gaan lopen, knoppen open gaan en de zon sterker gaat schijnen, ontstaat er een algemeen gevoel, dat een nieuw seizoen, ja een nieuw jaar gaat beginnen. Het zonlicht wekt energie in ons op, de natuur die in beweging komt trekt ons mee. Mensen worden actief in de tuin en op de fiets.

Het nieuwe leven rondom ons roept een gevoel van ontzag en vrolijkheid op, dat zich kan verdichten tot dankbaarheid: wat een goedheid ontvang ik, wie ben ik dat ik dit mag meemaken.

De zanger en cabaretier Maarten van Roozendaal (1962-2013) verwoordt dit in het lied ‘Mooi’ (2005, te beluisteren op YouTube) als volgt:

Ach zie de lammeren nou toch lurken
aan hun vers geschoren moeders
en hoe de jonge zwanen
donzen in de zachte sloot
en hoe de zwoele wind de wolken waait
tot pas gewassen luchten.

Ach ik ben Goddank
dus nog een keer
een jonge lente waard.

En zie de irissen nou toch pronken

met hun stampers als koralen.

Dit is zo mooi.
Het is om te janken zo mooi.
Mooi, om te janken zo mooi

En nu de wingerd zich wellustig
en het onkruid onbezonnen
en ik mezelf aftel
van volwassen naar bejaard

wordt het groener dan het groen was
nu ik grijzer dan ik grijs ben.

Ach ik ben Goddank
dus nog een keer
een jonge lente waard.

Je kunt het ‘Goddank’ in dit lied opvatten als een algemene uitdrukking van een gevoel van geluk. Je kunt de term ook letterlijk nemen: Ik heb er geen rechten op en ik ben kwetsbaar, maar dank aan God, dat ik dit voorjaar weer mee kan maken, dat ik kan genieten van licht en warmte, van de schepping die opbloeit.

En God is te danken om de kracht die we in eigen lichaam op voelen komen, de mogelijk-heden die we krijgen om een rol op ons te nemen in de schepping, om goed te doen aan mens en dier en groen.

A. Bruin


STILLE ZATERDAG

Dit nummer van de Voetstappen verschijnt rond het begin van de Goede of Stille Week,

de week die naar Pasen toe leidt. In die week ligt tussen de avond van Goede Vrijdag en de Paaswake: de ‘Stille Zaterdag’. In het dagelijks leven kan die zaterdag een drukke dag zijn om de paasboodschappen in te slaan. In de christelijke beleving is het echter een stille dag, waarop het gebeuren van de kruisiging van Jezus en zijn sterven nog doorklinkt.

In de evangeliën wordt over die dag nauwelijks iets verteld. De vrouwelijke leerlingen van Jezus houden rust op deze sabbat (Lk. 23: 56). Mattheüs vertelt nog dat er wachters bij het graf worden geplaatst (Mt. 27: 62-66).

In de christelijke traditie is de vraag opgekomen wat er die zaterdag gebeurd kan zijn. Het apocriefe Evangelie van Nikodemus (4e/5e eeuw) vult het in en vertelt hoe Christus na zijn sterven afdaalt naar de onderwereld. Hij breekt de poorten van het dodenrijk open. In de onderwereld wekt hij Adam en vele andere rechtvaardigen op. Hij maakt hen vrij en voert hen met zich mee naar boven, naar de hemel.

In de christelijke kunst, met name in het oosten, is dit gebeuren veelvuldig afgebeeld. De deuren van de onderwereld zijn uit hun voegen gerukt door Christus en liggen nu over elkaar op de grond (in een kruisvorm!). Christus heeft met een kruisvaan de onderwereld betreden. Hengsels, schroeven en spijkers van de deuren liggen her en der verspreid. Het donkere onderaardse gebied wordt verlicht door het Licht van het leven dat verschijnt. Christus spreekt Adam en Eva aan en trekt hen met zijn hand omhoog uit hun doodskisten om op te staan. Vanaf deze eerste mensen doet hij velen uit de loop van de geschiedenis opstaan.

De heerser van het dodenrijk en de satan worden geboeid of staan er machteloos bij.

Er zijn andere christelijke teksten, die verwant zijn met deze traditie uit het Evangelie van Nikodemus. In de Apostolische geloofsbelijdenis komt de passage voor: “nedergedaald in het dodenrijk (of: ter helle)”. In I Petrus 3: 19-20 staat dat Jezus toen hij gestorven was predikte tot de geesten van hen die in de tijd van Noach slecht hadden geleefd, voordat de zondvloed kwam.

Wat hebben deze teksten buiten de evangeliën en de kunstafbeeldingen te zeggen?

Ze laten zien, dat Christus niet slechts is gestorven, maar dat hij in zijn sterven is afgedaald tot de diepste diepten. In zijn sterven wordt het lijden en sterven gepeild van állen die zijn gestorven, die van God verlaten leken. Christus daalt af tot in de onderwereld, hij is al opgewekt door de Vader. En in de onderwereld verschijnt hij als de Levende. Zijn glans straalt over de doden. Hij wil zijn nieuwe leven niet alleen voor zichzelf houden. Hij deelt het uit. Zijn stem spreekt de doden aan bij hun naam en wekt hen tot nieuw hemels leven.

De doden blijven niet liggen in stilte, zijn niet onbereikbaar. Christus zoekt hen op en vindt hen. Zelfs de onrechtvaardigen uit de tijd van Noach, die de zondvloed opriepen, krijgen nog de kans zich te bekeren

Het sterven van Jezus op Goede Vrijdag en zijn verschijnen op Paasmorgen krijgen door de ‘nederdaling in het dodenrijk’ extra betekenis: Een mens kan niet zo ver dalen in doodsheid of in de dood, dat het licht van de genade van Christus hem niet meer kan vinden. En Christus reikt de hand aan állen, wat zij ook hebben gedaan. Hij wil hen mee voeren naar een nieuw paasleven. De ‘hellevaart’ verkondigt zo de enorme reikwijdte van sterven en opstanding van Christus: de diepte en de breedte.

Stille Zaterdag: een stille dag, om óp de aarde te bedenken, dat er in het gebied ónder de aarde iets beslissends is gebeurd. Een dag om, na de vrijdag, in stilte te verwachten, dat er ook op de aarde iets openbaar zal worden: morgen.

A. Bruin


DE NIEUWE KUNSTWERKEN

Op zondag 17 januari 2016 zijn twee kunstwerken van glas onthuld ter herinnering aan de fusie van 16 november 2014 (zie de foto’s op www.pghoogkerk.nl, foto-album, kerkdiensten). In elk kerkgebouw heeft één kunstwerk vervolgens een (voorlopige) plaats gekregen.

Wat hebben de kunstwerken te zeggen? Ik help u een stukje op weg.

Beide kunstwerken hebben een plaatselijk accent. Het glaskunstwerk met water en vissen laat stromen water zien. Dit is te zien als weergave van het Hoendiep dat oost-west door Hoogkerk stroomt. Het kunstwerk met korenaren en schoven verwijst naar vroegere landbouwgrond aan de zuidkant van Hoogkerk, waar graan verbouwd werd.

Het glaskunstwerk in Elim met de drie vissen boven elkaar verwijst naar de windvaan op de dakruiter van de Olle Kerk. De afbeelding met de korenaren in De Olle Kerk zet een denkbeeldige lijn uit naar de landbouwgrond ten zuiden van het Hoendiep. Elk kunstwerk op de huidige plaats brengt qua richting dus een koppeling aan met het andere kerkgebouw.

Water en koren (waar brood van wordt gemaakt) zijn oersymbolen van leven. Water en brood zijn eerste levensbehoeften.

Je kunt ook bijbelse symboliek verbinden met de kunstwerken.

In Genesis 1: 9 komt uit water de aarde voort. In Psalm 1: 3 zit de rechtvaardige mens aan een beek om te drinken van het water (beeld van de Torah) en zo krachtig te worden.

In Johannes 21: 1-14 vangen de discipelen van Jezus een grote hoeveelheid vis in het meer van Tiberias en Jezus bakt de gevangen vis. In de christelijke traditie zijn brood en vis aanduidingen geworden van het Avondmaal. In Ezechiël 47: 1-12 ziet de profeet een toekomstbeeld, waarbij vanuit de tempel een beek met veel vis erin het land instroomt.

In de vroege christenheid is het Griekse woord voor vis (i-ch-th-u-s), een afkorting geworden van de zin ‘Jezus Christus, zoon van God, redder’. Is dat te betrekken op de grote vis in het glaskunstwerk?

Overvloedig koren op het land is kenmerk van het beloofde land (Deut. 11: 14). Ruth leest korenaren op tussen de schoven op het veld van Boaz (Ruth 2: 15). In het vrederijk van God ruist het graan op de bergen (Psalm 72: 16). De groei van zaad tot koren is beeld van het Koninkrijk van God (Marcus 4: 28, Mattheüs 13: 8 en 23). En Jezus vergelijkt zichzelf met brood dat mensen leven geeft (Johannes 6: 35-51). Daarmee worden de korenaren, evenals de vissen, beeld van het Avondmaal.

Deze kunstwerken van Hein van de Water en Jakobine van Dömming laten, zoals u merkt, diverse betekenissen toe. U hebt de ruimte om uw eigen accenten te kiezen: iets van wat boven genoemd is of wat de kunstwerken verder in u oproepen.

Het materiaal, glas, heeft een eigen effect. Het glas laat licht door. Afhankelijk van het weer, het moment van de dag en het getijde van het jaar varieert de uitstraling van de kunstwerken. In de christelijke traditie is het licht beeld van God. Het licht breekt in glas en wordt tussen mensen doorgegeven. Het licht varieert, het geloof is in beweging en levend.

Deze twee kunstwerken zullen ons als gemeente begeleiden naar de toekomst, als voorwerpen van schoonheid, en als tekenen van de trouw van de levende God.

A. Bruin


WAAR WE VANDAAN KOMEN EN WAAR WE HEEN GAAN

Voor veel mensen in onze samenleving is het vanzelfsprekend geworden dat zij niet geloven.

Geloof speelt geen rol meer als richtlijn voor hun handelen, voor het bepalen van wat goed of kwaad is, in de opvoeding, bij het bekijken van het wereldnieuws. Vaak accepteren ze dat als gegeven. En ze proberen vervolgens hun leven zo goed mogelijk zelf in te vullen.

Dat is echter een flinke opgave. Als er geen absolute instantie meer is, die je zegt wat goed en kwaad is, hoe maak je dan als mens zelf de keuzes?

Als een mens geen opdracht in het leven heeft, hoe krijgt dat leven dan waarde?

Als er voor de samenleving, politiek en wereld geen visioen meer is, welke richting moet men dan uitkoersen, of is er helemaal geen richting meer te bepalen?

Het risico is dat de hoofdlijn voor het eigen handelen datgene wordt waar je zelf of jouw groep beter van wordt. Wat het dichtste bij is telt het zwaarste.

Als mensen zich benadeeld voelen door personen of instanties kan de boosheid zich snel ongecontroleerd ontwikkelen tot haat en wraak, indien er geen derde hogere persoon is aan wie je verantwoordelijkheid verschuldigd bent.

Ongelukken in de eigen leefsfeer en rampen in de samenleving moet je zelf incasseren, want tot een hogere macht kun je je dan niet meer wenden. Het risico is dat mensen ver omlaag vallen in verdriet, als er geen uiteindelijke Persoon is om in vertrouwen te nemen.

Als de hemel leeg is, dan moet een mens veel zelf doen.

Christelijk geloof leeft van een ander verhaal.

Mensen zijn er niet toevallig. Ze komen voort uit een God, die voor hen wil zijn als een liefhebbende ouder. In die liefde ligt hun oorsprong. Ze zijn geschapen, met binnen bepaalde grenzen eigen unieke mogelijkheden. Ze mogen zichzelf ontwikkelen en hebben tegelijk de roeping de aarde te beheren en medemensen te behoeden.

Dat verhaal heeft een midden: het leven van Jezus, de Messias. Mensen leren daarin dat ze fouten maken, dat ze niet perfect zijn, al eist onze samenleving dat voortdurend. Het belijden van schuld kan bevrijdend zijn. Verzoening wordt aangereikt (Goede Vrijdag). Een mens wordt geaccepteerd ondanks zijn falen, en krijgt nieuwe kansen.

Dat midden van het verhaal benadrukt ook de dood. Maar de dood is door te komen, is doorgang tot het uiteindelijke Licht. Zo is met deze Gezalfde duidelijk geworden (Pasen). De dood hoeft dus niet zover mogelijk weggestopt te worden, zoals in onze tijd gebruikelijk is.

Het eindpunt van het verhaal schetst een bestemming van de wereld, een stad waar mensen uit allerlei volken en bevolkingsgroepen samen komen, waar vijanden vrienden zijn geworden, waar goddelijke wijsheid als een rivier stroomt en allen te drinken geeft.

Tijdens de weg van elk mensenleven van oorsprong via midden naar einddoel is er de relatie met een God, die is als een vriend, een bondgenoot. Bij wie advies en moed te vinden is. Christelijk geloof vertelt daarmee een compleet verhaal, waar je vandaan komt en waar je heen gaat.

Ook gelovigen kunnen geschokt worden door wat met hen zelf of in de wereld gebeurt, zeker, maar je bent niet overgeleverd aan de nieuwsfeiten of aan je eigen denken.

Er is meer te zeggen, een ander verhaal. Je bent niet alleen, je leeft niet voor je zelf. Alle kleine waardevolle dingen die je doet voor anderen dragen bij aan Gods uiteindelijke wereld.

In lied 513: 4 in het Liedboek schrijft de dichter Jan Wit kernachtig en veelzeggend:

God staat aan het begin

en Hij komt aan het einde.

Zijn woord is van het zijnde

oorsprong en doel en zin.

A. Bruin