Artikelindex

 

MEDITATIE:  EEN GOUDEN MEDAILLE

De Olympische Winterspelen in Sotsji zijn gaande. Elke dag zijn wedstrijden in de diverse takken van sport te volgen via de TV. Nederland heeft al medailles behaald, en wie weet volgen er nog meer. In de wedstrijden gaat het om de jacht op de hoogste plaats, het goud. Zilver en brons zijn wel mooi, maar het doel is de 1e plek. Op het moment dat ik dit schrijf hebben Sven Kramer en Ireen Wüst op het hoogste podium gestaan.

Om die prestaties te halen moet flink getraind worden. Vele uren per week, en het hele jaar door. Ook tijdens de Spelen zijn er de oefeningen in en buiten het Olympisch dorp om het lichaam in topconditie te brengen en te houden.

In de brieven in het Nieuwe Testament wordt de vergelijking van een gelovige met een sporter verscheidene malen gemaakt (I Kor. 9: 24, I Tim. 6: 12, II Tim. 4: 8, Hebr. 12: 1).

Dat is niet zo verwonderlijk. Onze moderne Olympische spelen stammen uit de Griekse wereld. In de tijd van Paulus waren er in Olympia en in andere steden diverse sport-toernooien, die om de paar jaren gehouden werden. 

Paulus moedigt in I Korinthiërs 9: 24-25 de gemeenteleden in (het Griekse!) Korinthe aan:

“Jullie weten, dat van wie in het stadion lopen, slechts één de hoofdprijs behaalt, zorgen jullie ook dat je díe haalt.” Met andere woorden: de tweede prijs, het zilver, is op het gebied van het geloof te weinig. 

Paulus voegt eraan toe: “Wie traint voor een wedstrijd, moet zich in alles beheersen.”

Ja, want hoe win je die prijs in de wedstrijd, die het geloof is? Je moet trainen. Door niets te doen gaat je conditie achteruit. De levendigheid trekt dan langzaam uit je geloof weg.

De training bestaat uit het beluisteren van bijbelgedeelten om die te gaan verstaan.

Er zijn dagelijkse gebruiken en rituelen, het bidden, die je helpen om met de wereld van God vertrouwd te raken.

Je moet ook de baan van een stadion leren kennen. Schaatsers rijden zich in het stadion waar ze zijn in om het ijs te leren kennen. Elk mens heeft zijn eigen baan, levenspad, en dáár moet je je met je geloof overeind zien te blijven. 

De sporter moet een techniek leren om door de bochten heen te komen. Voor de gelovige kan de bestaande weg waarop deze zich beweegt gaan krommen, waarbij nog niet goed zichtbaar is wat er achter de bocht is, en daar moet je op in kunnen spelen.

In de voorbereiding van de wedstrijd leer je ook hoe je fouten voorkomt: een valse start,

een verkeerde wissel. Het geloof geeft je regels mee om de wedstrijd in de praktijk van het leven eerlijk te spelen.

In de oefeningen leer je verder om door te zetten als de vermoeidheid toeslaat en je benen logger worden.

Het helpt als er publiek is dat je aanmoedigt (Hebreeën 12: 1), die je stimuleert in je geloof, vrienden, familie. Dat ervaren sporters wanneer familie hen toeroept. En de Russische sporters in Sotsji zijn in het voordeel, omdat ze voor thuispubliek spelen.

De Griekse sporters die in bijbelse tijd wonnen kregen een symbolische krans van takken, naast een geldbedrag. De erekrans was vergelijkbaar met de moderne medaille.

Paulus stelt (I Kor. 9: 25) dat de krans in het stadion vergankelijk is. De groene takken zullen verdorren. De gelovigen daarentegen, zegt Paulus, mikken op de hoogste, onvergankelijke, prijs. Hoe is die onvergankelijke gouden medaille te omschrijven?

Het is inzicht krijgen in de blijvende waarden die er toe doen in het leven, het is verbonden raken met de Allerhoogste als bron en doel van het leven.

Er is veel te winnen. Daarom heeft het zin om met de wedstrijd te beginnen en klinkt in de eerste brief aan Timotheüs (6: 12) de oproep: strijd de goede strijd van het geloof.

A. Bruin